Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200200773/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200773/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Gennep,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2001, kenmerk 20004680, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een losplaats voor zand en grind op het adres [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gennep. Dit aangehechte besluit is op 9 mei 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 7 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 3 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 25 juni 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door C.P.A. Bots, ambtenaar van de gemeente, en ing. P.J.R. Giepmans, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Poorter, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], als partij daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De onderhavige loswal is gelegen aan de Rijksvluchthaven aan de Maas en is bestemd voor de overslag van over de weg aangevoerd zand en grind op binnenschepen. In de directe omgeving van de haven bevindt zich een gezoneerd industrieterrein alsmede de provinciale weg N271. In de haven ligt een aantal woonboten. De dichtstbijzijnde woonboot ligt op een afstand van ongeveer 60 meter van de onderhavige inrichting. In het verleden zijn reeds eerder krachtens de Wet milieubeheer vergunningen verleend. Deze besluiten zijn bij uitspraken van de Afdeling vernietigd.

2.2. Verweerders hebben gesteld dat het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk is voorzover het zich keert tegen het niet aanwijzen van een alternatieve locatie voor de inrichting.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2.2. Appellant sub 2 heeft de grond inzake het niet aanwijzen van een alternatieve locatie voor de inrichting niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. De Afdeling stelt voorts vast dat appellanten sub 1 de gronden inzake de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.1.3 en 3.1.4 niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht. Het bepaalde onder b en c is hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1 en sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk zijn.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten sub 1 vrezen geluidhinder. In dit verband voeren zij aan dat de geluidgrenswaarden, gelet op het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid, te hoog zijn. Daarnaast twijfelen zij aan de juistheid van de uitgangspunten en conclusies van het bij de aanvraag om vergunning gevoegde geluidrapport, onder meer omdat daarin volgens hen geen rekening is gehouden met de omvang van de capaciteit van de inrichting. Voorts stellen appellanten dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd.

2.4.1. Ter beperking van geluidhinder zijn in het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.2.1 grenswaarden gesteld aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de dagperiode vanwege het in werking zijn van de inrichting. De grenswaarden zijn gesteld op zes rekenpunten en variëren van 36 tot 48 dB(A).

2.4.2. Bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting hebben verweerders zich gebaseerd op hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking).

In hoofdstuk 4 wordt, voorzover hier van belang, voor nieuwe inrichtingen aanbevolen de richtwaarden voor woonomgevingen te hanteren. Overschrijding van deze richtwaarden kan volgens de Handreiking toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt. Als maximum geldt blijkens de Handreiking een etmaalwaarde van 50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen van derden of andere geluidgevoelige bestemmingen of het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

Niet is in het geding dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse ongeveer 46 dB(A) bedraagt. Verweerders zijn blijkens de stukken op grond van een bestuurlijk afwegingsproces gekomen tot een overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid van 2 dB(A). Zij hebben daarbij in de eerste plaats in aanmerking genomen dat de gebiedstyperingen, die in hoofdstuk 4 van de Handreiking worden genoemd, niet aansluiten op de situatie rond de inrichting. Voorts liggen de woonboten binnen de 55 dB(A)-contour van de zone vanwege het verderop gelegen industrieterrein. Verweerders achten het verder van belang dat ter beperking van de geluidoverdracht alle in redelijkheid te vergen maatregelen zijn getroffen – waaronder het aankopen van een woonboot - en dat het blijkens het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport niet mogelijk is om de bepalende geluidbron, het storten van grind, af te schermen. De Afdeling ziet, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerders bij hun bestuurlijke afweging in acht genomen feiten en omstandigheden. Gelet daarop, en gezien het door hen gehanteerde beoordelingskader en de door hen gemaakte bestuurlijke afweging, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders de geluidgrenswaarden niet in redelijkheid toereikend hebben kunnen achten ter voorkoming van geluidhinder.

De desbetreffende beroepsgronden zijn ongegrond.

2.4.3. Uit de stukken blijkt dat aan het bij de aanvraag om vergunning gevoegde geluidrapport een nieuw akoestisch onderzoek ten grondslag ligt waarin onder meer de bronniveaus van de verschillende installaties opnieuw zijn gemeten, alsmede de effecten van getroffen geluidwerende voorzieningen. De Afdeling ziet in het betoog van appellanten, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders niet van de juistheid van de uitgangspunten en conclusies van het geluidrapport hebben kunnen uitgaan. Wat betreft de geluidbijdrage vanwege de motoren van schepen die worden beladen, wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat deze bronnen in het geluidrapport terecht als verwaarloosbaar zijn aangemerkt. De Afdeling ziet noch in de stukken, noch in het verhandelde ter zitting aanleiding om op dit punt aan het deskundigenbericht te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling is, gezien het voorgaande, niet gebleken dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

Voorzover appellanten aanvoeren dat de vergunningvoorschriften niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

De desbetreffende beroepsgronden slagen niet.

2.5. Appellant sub 2 vreest voor geluidoverlast vanwege het vrachtverkeer van en naar de inrichting. In dit verband heeft appellant voorgesteld om de aanvoerroute te verleggen.

2.5.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting aangesloten bij de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 inzake “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting”. In deze circulaire, voorzover hier van belang, is een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde opgenomen ter plaatse van woningen van derden. Overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is volgens de circulaire mogelijk tot 65 dB(A), indien en voorzover geen redelijke bron- of geluidwerende voorzieningen kunnen worden getroffen en een binnenwaarde in woningen wordt gegarandeerd van 35 dB(A).

Blijkens het geluidrapport wordt de voorkeursgrenswaarde met 3 dB(A) overschreden indien langzamer dan 50 km per uur wordt gereden. Verweerders stellen zich op het standpunt dat geen redelijke bron- of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen, terwijl ervan mag worden uitgegaan dat de binnenwaarde in de woning van appellant sub 2 gelijk is aan of lager dan 35 dB(A). De Afdeling ziet noch in de stukken, noch in het verhandelde ter zitting aanknopingspunten om aan de juistheid van het standpunt van verweerders te twijfelen. Gelet hierop hebben zij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting. Verweerders behoefden derhalve, anders dan appellant sub 2 aanvoert, geen aanleiding te zien om de aanvoerroute te wijzigen.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 niet-ontvankelijk voorzover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.1.3 en 3.1.4 betreft, en het beroep van appellant sub 2 voorzover het de aanwijzing van een alternatieve locatie voor de inrichting betreft;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van de Sande

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

355.