Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200105176/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105176/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Themapark Sprookjesbos B.V.", gevestigd te

Valkenburg aan de Geul,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2001 heeft de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul, op voorstel van burgemeester en wethouders van 22 januari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Kern Valkenburg, herziening 1999".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 21 augustus 2001, kenmerk 2001/36453, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 17 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2001, en appellante sub 2 bij brief van 18 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2001, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 12 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 24 juni 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Maastricht, en [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.L. Kluter, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul, vertegenwoordigd door

drs. W. Hendriks en mr. G. Goossens, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Appellante sub 1 heeft geen zienswijze tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad, noch bedenkingen tegen het vastgestelde plan bij verweerders ingebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten door degene die tijdig tegen het ontwerp-plan een zienswijze bij de gemeenteraad en tegen het vastgestelde plan bedenkingen bij gedeputeerde staten heeft ingebracht. Dit is slechts anders, voorzover hier van belang, indien het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze en bedenkingen in te brengen.

2.1.1. Appellante betoogt dat het niet indienen van zienswijzen en bedenkingen verschoonbaar is. Zij beroept zich erop dat zij zich reeds in september 2000 tot de gemeente heeft gewend in verband met haar voornemen op haar perceel een woning te bouwen. Zij is toen door ambtenaren van de gemeente Valkenburg aan de Geul uitgenodigd een concreet bouwplan in te dienen, hetgeen zij inderdaad heeft gedaan. Vanwege deze bouwaanvraag heeft zij geen zienswijzen tegen het ontwerp-plan ingebracht, omdat dit volgens diezelfde ambtenaren niet nodig was, aldus appellante.

2.1.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat door ambtenaren van de gemeente toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan zij, niettegenstaande de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening daarvoor voorgeschreven procedure, ervan had kunnen en mogen afzien om tegen het in procedure gebrachte nieuwe plan zienswijzen bij de raad onderscheidenlijk bedenkingen bij verweerders in te dienen. Ook aan het uitblijven van een reactie op haar brief van 13 september 2000, waarin appellante het college van burgemeester en wethouders de indiening van een concreet bouwplan in het vooruitzicht stelt met het verzoek om met het oog op het verlopen van de zienswijzentermijn voor 20 september 2000 te reageren, heeft zij een dergelijke verwachting niet mogen ontlenen. Onder deze omstandigheden had het op de weg van appellante gelegen om zienswijzen bij de gemeenteraad in te dienen. Anders dan door appellante ter zitting nog is betoogd, kan de genoemde brief niet als een zienswijze worden aangemerkt.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest zienswijzen en bedenkingen in te dienen.

Gelet hierop is het beroep van appellante sub 1 niet-ontvankelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Het plan voorziet in nieuwe planologische regelingen voor het Polfermolengebied, één gebied aan de Prinses Margrietlaan en twee gebieden aan de Oosterweg. Voorts zijn in het plan met betrekking tot de gronden van het Themapark Sprookjesbos B.V. de twee bestaande parkeerterreinen als zodanig bestemd en zijn de voorschriften ten aanzien van de bouwhoogte en het bebouwingspercentage aangepast.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan, voor zover hier van belang, goedgekeurd.

2.4. Appellante sub 2 kan zich niet verenigen met de goedkeuring van het plan voor zover dat niet voorziet in een bij recht toegestane maximumbouwhoogte van 15 meter voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voorts heeft zij bezwaar tegen de vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover daaraan voorwaarden betreffende de economische noodzaak, belangen van derden en parkeren zijn verbonden.

Appellante stelt daarnaast dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid, zodat verweerders het plan daarom niet hadden mogen goedkeuren.

2.4.1. De gemeenteraad heeft het plan gewijzigd vastgesteld en ten behoeve van het bedrijf van appellante een vrijstellingsbevoegdheid voor een bouwhoogte van maximaal 15 meter voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen.

Naar de mening van de gemeenteraad is voldaan aan de noodzaak tot het beschikbaar hebben van voldoende parkeergelegenheid door het gereedkomen van de parkeerplaats in het Geulpark en enkele parkeermogelijkheden nabij het bedrijf van appellante en de Wilhelminatoren. Volgens de raad is parkeren aan de Heunsbergerweg/Koksweg uitgesloten.

2.4.2. Verweerders hebben in de bedenkingen van appellante geen aanleiding gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij achten de voorwaarden die zijn verbonden aan de vrijstellingsbevoegdheid niet onredelijk gezien de reeds bestaande parkeerproblematiek. Wat betreft de parkeerproblematiek zijn verweerders van mening dat het gemeentebestuur in beginsel heeft voldaan aan zijn verplichting daarvoor een oplossing te zoeken. Verweerders achten in dit verband van belang dat het gemeentebestuur de intentie heeft uitgesproken ook in de toekomst naar een oplossing te blijven zoeken.

2.4.3. Ten aanzien van het betoog van appellante dat verweerders integraal goedkeuring aan het plan hadden moeten onthouden omdat het naar haar mening ten onrechte niet voorziet in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen, overweegt de Afdeling het volgende.

Bij besluit van 29 januari 1996 heeft de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul het bestemmingsplan “Kern Valkenburg” vastgesteld.

Verweerders hebben bij besluit van 17 september 1996, nr. 96/38751M, gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan dat plan.

Bij uitspraak van 11 juni 1998, no. E01.96.0474, oordeelde de Afdeling dat het standpunt van verweerders dat de gemeente buiten het sprookjesbos en zijn directe omgeving naar een oplossing voor het parkeerprobleem diende te zoeken, haar niet kennelijk onredelijk voorkwam. De Afdeling heeft echter dat goedkeuringsbesluit vernietigd voor zover het de goedkeuring van de aanduiding “4” voor de gronden van appellante betrof en voorts zelf voorziend goedkeuring onthouden aan deze aanduiding. Hiertoe overwoog zij dat verweerders ten onrechte niet hadden onderkend dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel twee bestaande parkeerterreinen niet als zodanig waren bestemd.

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft de gemeenteraad het thans aan de orde zijnde plan vastgesteld. Het plan bevat eveneens een partiële herziening van het plan “Kern Valkenburg” in verband met gewijzigde omstandigheden, die evenwel niet samenhangen met het gebrek aan parkeergelegenheid in de kern Valkenburg.

Op grond van de aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegde motivering stelt de Afdeling vast dat de plicht als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet strekt tot een heroverweging van het plan voor wat betreft de parkeerproblematiek in de kern Valkenburg in het algemeen, maar tot een aanpassing daarvan overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling.

De gemeenteraad heeft de reeds bestaande parkeerplaatsen van appellante sub 2 in het plan als zodanig bestemd. Hiermee heeft de gemeenteraad naar het oordeel van de Afdeling overeenkomstig artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 1998 in acht genomen. Appellante heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven om van die uitspraak af te wijken.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.4.4. Ingevolge artikel 9, derde lid, onder b, van de voorschriften bij het bestemmingsplan “Kern Valkenburg”, welke bepaling niet is gewijzigd bij het onderhavige plan, voor zover hier van belang, mogen op de tot recreatieve doeleinden bestemde gronden bouwwerken worden opgericht die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande dat op de plankaart A in het rechtervak van de matrix de maximale hoogte van bouwwerken in meters per aaneengesloten gronden met de bestemming recreatieve doeleinden is aangegeven.

Blijkens plankaart A, zoals bij het onderhavige plan gewijzigd vastgesteld, bedraagt de maximale hoogte van bouwwerken voor de betrokken gronden van appellante 9 meter.

Ingevolge het bij dit plan nieuw toegevoegde artikel 9, zesde lid, onder A, ten derde, van de voorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3, onder b, voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximale hoogte van 15 meter, voor zover het betreft de gronden op plankaart A aangegeven met het teken [n] en begrensd door de lijn.

Blijkens plankaart A is een deel van de gronden van appellante voorzien van het teken [n].

Ingevolge het bij het plan niet gewijzigde artikel 9, zesde lid, onder B, van de voorschriften dienen bij het verlenen van vrijstelling als bedoeld onder A de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:

- er dient een economische noodzaak te zijn;

- de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

- er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu respectievelijk natuurwetenschappelijke, landschapsecologische en

landschappelijke waarden ontstaan of kunnen ontstaan, en;

- de parkeerbalans in de directe woonomgeving mag niet onevenredig nadelig

worden of kunnen worden beïnvloed.

2.4.5. Appellante betoogt in de eerste plaats dat het plan bij recht dient te voorzien in een maximale bouwhoogte van 15 meter voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Subsidiair betoogt appellante dat de voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen vrijstellingsregeling ten onrechte is gekoppeld aan de onder artikel 9, zesde lid, onder B, eerste, tweede en vierde gedachtestreepje, opgenomen voorwaarden. In deze vorm biedt het plan haar onvoldoende zekerheid dat zij ooit van deze vrijstellingsregeling gebruik kan maken. Zij vreest dat zij, gelet op het reeds bestaande, nijpende tekort aan parkeervoorzieningen, in het bijzonder niet aan de onder het vierde opgenomen algemene voorwaarde met betrekking tot de parkeerbalans zal kunnen voldoen. Volgens appellante had dan ook een meer specifiek op haar situatie toegesneden regeling in het plan behoren te worden opgenomen.

2.4.6. Het primaire betoog van appellante treft geen doel. Gelet op de aanwezige natuurwaarden in het Sprookjesbos hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de raad het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig heeft kunnen achten dat een bouwhoogte van meer dan 9 meter alleen toelaatbaar is na een nadere afweging van de ter plaatse aanwezige natuurwaarden tegen de bedrijfsbelangen van appellante. Evenzo hebben verweerders de voorwaarden aangaande de economische noodzaak en de belangen van derden in redelijkheid niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling evenwel onvoldoende gebleken waarin naar de mening van verweerders bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte tussen 9 en 15 meter, wat betreft hun invloed op de parkeerbalans in zodanig ongunstige zin verschillen van de attracties met een hoogte lager dan 9 meter, dat daardoor in dit geval een koppeling tussen de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 9, zesde lid, onder A, ten derde, en de voorwaarde van artikel 9, zesde lid, onder B, vierde gedachtestreepje, van de voorschriften gerechtvaardigd zou zijn.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van appellante sub 2. Ten aanzien van appellante sub 1 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 1 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van appellante sub 2 gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 21 augustus 2001, kenmerk 2001/36453, voorzover het de goedkeuring van artikel 9, zesde lid, onder A, ten derde, van de voorschriften van het plan betreft;

IV. verklaart het beroep van appellante sub 2 voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de provincie Limburg aan appellante sub 2 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

218-400.