Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200201268/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201268/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Boarnsterhim,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2002, kenmerk 01/28, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een melkrundveehouderij op het perceel [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 20 februari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2002, waar [appellant] voor zich en als vertegenwoordiger van de andere appellanten, en verweerders, vertegenwoordigd door H. Hemmink, gemachtigde, zijn verschenen.

Tevens is vergunninghouder daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten de beroepsgrond met betrekking tot het ten onrechte aanmerken van het bezwaarschrift als bedenking ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de grond inzake het misleidende karakter van het besluit, omdat de inrichting plaats biedt aan veel meer dieren dan het vergunde aantal niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op het houden van 150 melk- of kalfkoeien, 105 stuks vrouwelijk jongvee en 65 schapen ouder dan één jaar inclusief lammeren lichter dan 45 kilogram.

2.4. Appellanten betogen dat sprake is van onaanvaardbare stankhinder als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. Zij voeren hierbij aan dat de inrichting op korte afstand van hun woningen en de geplande nieuwbouwwijk ligt.

2.4.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën hebben zij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

2.4.2. Onbestreden staat vast dat de omgeving moet worden gekwalificeerd als categorie III-omgeving in de zin van de Brochure.

In bijlage 2 van de Richtlijn is aangegeven dat voor rundvee in omgevingscategorie III een afstand van minimaal 50 meter moet worden aangehouden. Ingevolge de Richtlijn dient voor het aantal binnen de inrichting te houden schapen eveneens een minimale afstand van 50 meter te worden aangehouden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de kortste afstand tussen de inrichting en de dichtstbijgelegen woning van derden 650 meter bedraagt. Verder is gebleken dat de afstand tot de woningen van appellanten en de toekomstige nieuwbouwwijk respectievelijk 950 meter en 800 meter bedraagt. Aan de minimaal aan te houden afstand ingevolge de Richtlijn wordt derhalve voldaan. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.5. Appellanten hebben bezwaren aangevoerd die verband houden met de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder. Zij stellen dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.5.1. Voor de beoordeling van de directe geluidhinder hebben verweerders de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en – bij gebreke van een gemeentelijke nota industrielawaai – de circulaire Industrielawaai (hierna: de circulaire) tot uitgangspunt genomen. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder hebben verweerders onder andere de voorschriften 2.1 en 2.2 aan de vergunning verbonden.

2.5.2. In voorschrift 2.1 zijn als waarden voor het equivalente geluidniveau opgenomen 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, welke overeenkomen met de streefwaarden die in de circulaire voor een landelijke omgeving, waarvan in het onderhavige geval sprake is, worden genoemd. Verder zijn in voorschrift 2.2 als waarden voor het maximale geluidniveau opgenomen 70, 65 en 60 dB(A) voor de respectievelijke perioden. Deze maximale geluidgrenswaarden zijn niet hoger dan de waarden die hiervoor in de circulaire aanvaardbaar worden geacht.

Gelet op de aard van de inrichting en de omvang van de vergunde activiteiten ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat niet aan de in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde grenswaarden kan worden voldaan. Hetgeen appellanten hebben betoogd doet hier niet aan af.

2.6. Voorzover appellanten aanvoeren dat een andere locatie meer geschikt is voor de vestiging van de inrichting, overweegt de Afdeling dat verweerders zijn gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Appellanten voeren aan dat de milieuvergunning niet kan worden verleend zolang er geen bouwvergunning is verleend.

De Afdeling overweegt dienaangaande dat het ontbreken van een rechtsgeldige bouwvergunning er niet aan in de weg staat dat krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend. Het vereiste van een bouwvergunning is immers niet gesteld ter bescherming van het milieu, als bedoeld in artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Verder is in de Wet milieubeheer niet bepaald dat vergunning moet worden geweigerd indien de vereiste bouwvergunning ontbreekt. Wel is in artikel 8.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 5.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer een regeling neergelegd voor het verstrekken van een afschrift van de aanvraag voor een bouwvergunning in gevallen waarin het oprichten of veranderen van een inrichting tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet, doch niet is gebleken dat in strijd met die regeling is gehandeld.

2.8. Appellanten hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het betreft het gestelde misleidende karakter van het besluit, omdat de inrichting plaats biedt aan veel meer dieren dan het vergunde aantal;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

159-373.