Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200202189/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202189/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni en 2 juli 2001 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 19 juni 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Camping Rooije Asch".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 19 februari 2002, nummer 772307, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 juni 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 september 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2002, waar appellante, in de persoon van [appellant], bijgestaan door mr. B.J. Berton, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door J.G.A.M. van de Wijdeven, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is namens de gemeenteraad van Gemert-Bakel verschenen ir. N.J.N. Schlegel, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.2. Appellante voert aan dat verweerders het bestemmingsplan ten onrechte hebben goedgekeurd omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar gerechtvaardigde belangen. Daartoe stelt zij dat de toegestane afmetingen van de stacaravans te krap zijn, dat onduidelijk is waarom een onderscheid wordt gemaakt tussen stacaravans en recreatiewoningen en dat zij zich er niet mee kan verenigen dat recreatiewoningen slechts zijn toegestaan uitsluitend waar deze bestaan op het tijdstip van het van kracht worden van het plan. Voorts kan appellante zich niet verenigen met de uitzonderingen op het overgangsrecht.

2.3. De gronden waarop het beroep ziet zijn bestemd als “Verblijfsrecreatie, Recreatieverblijventerrein”.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, zijn op deze gronden uitsluitend toegestaan sanitaire voorzieningen, nutsvoorzieningen, recreatiewoningen, stacaravans en overige kampeermiddelen met bijbehorende bijgebouwen, alsmede verharde paden ter plaatse waar deze op de plankaart nader zijn aangeduid.

Ingevolge artikel 5, derde lid, onder c, geldt met betrekking tot kampeermiddelen, waaronder stacaravans: 1) dat de oppervlakte ten hoogste 35 vierkante meter mag bedragen, uitgezonderd de kampeermiddelen die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan een grotere oppervlakte hebben, welke oppervlakte niet mag worden vergroot; 2) dat de bouwhoogte ten hoogste 3 meter mag bedragen, uitgezonderd de kampeermiddelen die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan een grotere bouwhoogte hebben, welke bouwhoogte niet mag worden vergroot; 3) deze met een plat dak dienen te worden uitgevoerd, uitgezonderd de kampeermiddelen die geen plat dak hebben op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.

Voorts geldt met betrekking tot recreatiewoningen dat: 1) dat de oppervlakte ten hoogste 60 vierkante meter mag bedragen, uitgezonderd de recreatiewoningen die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan een grotere oppervlakte hebben, welke oppervlakte niet mag worden vergroot; 2) dat de goothoogte ten hoogste 3 meter mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 5,5 meter, uitgezonderd de recreatiewoningen die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan een grotere goot en/of grotere bouwhoogte hebben, welke goot- respectievelijk bouwhoogte niet mag worden vergroot; 3) de inhoud ten hoogste 200 kubieke meter mag bedragen, uitgezonderd de recreatiewoningen die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan een grotere inhoud hebben, welke inhoud niet mag worden vergroot.

Ingevolge het vierde lid van artikel 7 van de planvoorschriften zijn de in het eerste lid van dit artikel vervatte overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, doch die zijn gebouwd in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge het vijfde lid van artikel 7 van de planvoorschriften zijn de in het derde lid van dit artikel vervatte overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.4. De gemeenteraad beoogt met het bestemmingsplan tegen te gaan dat de camping zich nog meer dan nu het geval is, ontwikkelt tot een permanent bewoond bungalowpark. Recreatiewoningen, die qua oppervlakte groter mogen zijn dan stacaravans en zich daarom beter lenen voor permanente bewoning, zijn daarom alleen toegestaan waar deze aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Kampeermiddelen, waaronder stacaravans, zijn toegestaan mits het aantal standplaatsen dat in het bestemmingsplan is vastgelegd niet wordt overschreden. Om een verdere verdichting van het terrein tegen te gaan is het maximaal toegelaten aantal kampeermiddelen en recreatiewoningen vastgelegd per deelgebied.

2.5. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat het bestemmingsplan de feitelijke situatie, waaronder de oppervlakte van de stacaravans en recreatiewoningen, vastlegt. De in het bestemmingsplan opgenomen oppervlakte van 35 vierkante meter voor stacaravans is blijkens het door de gemeente bij de RAI-vereniging te Amsterdam ingewonnen advies gangbaar. Verweerders kunnen met deze algemene maatvoering instemmen. Een omvang van 200 kubieke meter voor recreatiewoningen achten verweerders toereikend om aan de recreatieve vraag te voldoen. Grotere maatvoeringen leiden tot een verdichting van het terrein hetgeen het groene karakter aantast zonder dat daarvoor een functionele onderbouwing is te geven, aldus verweerders. Zij zijn met de gemeente van mening dat het aanwezige groen onlosmakelijk deel uitmaakt van de recreatieve functie als familiecamping.

Verweerders kunnen instemmen met de overgangsbepalingen en hebben onder meer overwogen dat in het bestemmingsplan de bestaande kampeermiddelen en recreatiewoningen positief zijn bestemd, zodat de belangen van appellante niet worden aangetast door de uitzonderingen op het overgangsrecht.

2.6. Blijkens het deskundigenbericht is appellante eigenaar van twee kavels, elk 600 vierkante meter groot, aan de noordzijde van de camping. Op de meest westelijke kavel staat een stacaravan.

De Afdeling stelt vast dat het standpunt van verweerders, dat de stacaravan van appellante positief is bestemd, juist is en dat verweerders derhalve op goede gronden hebben overwogen dat de belangen van appellante niet worden aangetast door de uitzonderingen op het overgangsrecht.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders de beperkingen die zijn gesteld aan de aantallen kampeermiddelen en recreatiewoningen en aan de afmetingen daarvan, niet aanvaardbaar hebben kunnen achten. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de bestaande kampeermiddelen en recreatiewoningen positief zijn bestemd en dat de in aanmerking genomen oppervlakte voor stacaravans is gegrond op een advies van een deskundig te oordelen vereniging.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

210.