Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200202789/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202789/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 17 april 2002 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

burgemeester en wethouders van Bernheze.

1. Procesverloop

Op 5 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: burgemeester en wethouders) bekend gemaakt dat de vergunning voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie] van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 14 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaarschriften van 24 april 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 april 2002, verzonden op 19 april 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 september 2002 heeft [verzoeker] een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R.E. Wannink advocaat te

’s-Hertogenbosch is verschenen. [verzoeker] en burgemeester en wethouders zijn met bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft een woning met een aangebouwde ruimte met een dwars op de kap van het woongedeelte gebouwde kap. In die aanbouw zijn een garage, een afzonderlijke bergruimte en een toilet opgenomen. De garage is via de berging vanuit de woning te bereiken. Volgens de tekening is in de garage een trap voorzien, die leidt naar de als bergruimte aangeduide verdieping direct onder de kap. Volgens het bouwplan is op de verdieping niet voorzien in een doorgang naar de woning.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Dinther” rust op het perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”.

Ingevolge artikel 1A, aanhef en onder III, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag bij een bedrijf niet meer dan één bedrijfswoning worden gebouwd, hetzij als eenheid met een bedrijfsgebouw hetzij als vrijstaande woning.

Ingevolge artikel 1A, aanhef en onder III, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, dient de inhoud van de woning minimaal 350 m3 en mag maximaal 750 m3 bedragen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel mogen bij iedere bedrijfswoning bijgebouwen worden gebouwd met dien verstande dat de maximale gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 60 m2 en de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw niet meer dan 2,5 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 1, onder 4, van de planvoorschriften wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, carports daaronder niet begrepen.

Ingevolge artikel 1, onder 15, van de planvoorschriften wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw dan wel op of bij een terrein kennelijk slechts bestemd voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming.

Ingevolge artikel 1, onder 10, van de planvoorschriften wordt onder bijgebouw verstaan: een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte het in rechtsoverweging 2.1. omschreven gedeelte van het bouwplan heeft aangemerkt als onderdeel van de woning. Volgens haar is sprake van een bijgebouw. Dit betoog faalt.

2.4. Uit de hierboven weergegeven definitie van het begrip bijgebouw volgt dat een bijgebouw in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw, in dit geval de woning.

2.5. De als berging aangeduide ruimte is door middel van een doorgang direct verbonden met de keuken en is voorzien van een wasmachineaansluiting. Gelet hierop moet de berging als bijkeuken worden aangemerkt en maakt deze als zodanig derhalve deel uit van de woning. Hetzelfde geldt voor de aldaar aanwezige toiletruimte. Voorts is het bedoelde gedeelte van het bouwplan niet in architectonisch opzicht ondergeschikt aan de woning, nu het is voorzien van een met de woning aansluitende kap. Dat de nokhoogte van de kap iets lager is dan de kap van het woongedeelte maakt dit niet anders.

Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat dit gedeelte van het bouwplan niet kan worden aangemerkt als een gebouw behorend bij de woning, maar juist onderdeel daarvan uitmaakt. Zoals de rechtbank heeft overwogen, bedraagt de inhoud van de woning 1080 m3, zodat de maximale toegestane inhoud van de woning wordt overschreden. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Aan een afweging van belangen kon de rechtbank derhalve niet toekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

17-387.