Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200103397/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103397/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2a], wonend te [woonplaats], [appellante sub 2b], gevestigd te [plaats], [appellanten sub 2c], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2000 heeft de gemeenteraad van Terneuzen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 14 november 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Arsenaal".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 15 mei 2001, kenmerk 014481/580/49, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 5 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2001, en appellanten sub 2 bij brief van 6 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 mei 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2 en de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2002, waar appellant sub 1 in persoon, appellanten sub 2, in personen van [appellanten sub 2a] en bijgestaan door mr. J Wouters, advocaat te Middelburg, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. M.E.C. Bordes, gemachtigde, zijn verschenen. Tevens zijn daar verschenen de gemeenteraad, vertegenwoordigd door G. Christiaanse, ambtenaar van de gemeente, en J. Peters, gemachtigde, en de vennootschap onder firma [partij], vertegenwoordigd door mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, advocaat te Terneuzen, en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan beslaat het gebied rondom de Nieuwstraat en beoogt de huidige stedelijke structuur te versterken. Het voorziet onder meer in de verplaatsing van coffeeshop “Checkpoint”.

Verweerders hebben het plan goedgekeurd met uitzondering van onder meer de medebestemming “coffeeshop” op de plankaart en de daarmee samenhangende voorschriften.

2.2. In de brief van [appellanten sub 2a] van 4 augustus 2000, op briefpapier van [appellanten sub 2a]/[appellante sub 2b], staat dat met deze brief 244 handtekeningen worden aangeboden als protest tegen de plaatsing van een coffeeshop bij het theater. [appellanten sub 2a], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2b] en de 244 anderen stellen dat zij daarmee binnen de in artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gestelde termijn kenbaar hebben gemaakt bezwaren te hebben tegen het ontwerpplan. Eerst na afloop van de termijn hebben zij duidelijk gemaakt welke hun bezwaren zijn.

De omstandigheid dat in artikel 23 niet is bepaald dat een zienswijze met redenen omkleed moet zijn, betekent niet dat het enkel kenbaar maken van het hebben van bezwaren voldoende is om een zienswijze in te brengen. In de term “zienswijze” ligt een zekere motiveringseis besloten. In verband hiermee zal tenminste beknopt moeten worden aangegeven waarom de indiener zich niet met het ontwerpplan kan verenigen. Aangezien aan deze motivering geen strenge eisen behoeven te worden gesteld, behoeft de termijn van vier weken geen onoverkomelijke problemen op te leveren voor degenen die zienswijzen wensen in te brengen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

Dit is slechts anders, voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van [appellanten sub 2a], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2b] en de 244 anderen is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2c] kunnen zich met het besluit van verweerders niet verenigen. Zij stellen dat er door het onthouden van goedkeuring aan de medebestemming “coffeeshop” in wezen niets verandert. Zij zijn van mening dat hun woon- en leefklimaat ernstig zal worden aangetast door de tegenover de bestaande coffeeshop “Miami” voorziene coffeeshop “Checkpoint”. Zij stellen dat door afsluiting van de Westkolkstraat een fuik ontstaat waar verkeer en bezoekers in terecht komen. Volgens hen heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden.

2.5. De gemeenteraad heeft naast het te realiseren theaterplein een plaats aangewezen met de bestemming “Horeca café/bar en parkeervoorzieningen H4/Vw(p)”, met de aanduiding “mede bestemd tot coffeeshop”. Deze bestemming is volgens de gemeenteraad noodzakelijk om de verdere verplaatsing mogelijk te maken van coffeeshop “Checkpoint”. Deze coffeeshop is thans tijdelijk op het theaterplein gevestigd en zal worden verplaatst naar de definitieve locatie grenzend aan het theaterplein, zo veel mogelijk daarvan ruimtelijk afgeschermd. De concentratie van twee coffeeshops in elkaars nabijheid en enigszins terzijde van het uitgaansgebied vormt volgens de gemeenteraad het best denkbare alternatief. Naar zijn mening wordt het verkeer ter plaatse goed gereguleerd en is voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

2.6. Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan de medebestemming “coffeeshop” omdat een gemeentelijke regeling waarbinnen de mogelijkheid wordt geboden softdrugs aan te bieden zich naar hun mening niet verdraagt met artikel 3, eerste lid, van de Opiumwet. Vanwege de onthouding van goedkeuring zijn zij verder niet ingegaan op de uitstralingseffecten van een coffeeshop. Zij vinden wel dat de gemeente voldoende is ingegaan op de plaats van de coffeeshop. Ook achten zij de door de gemeenteraad gemaakte belangenafweging voldoende gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering.

2.7. De bezwaren van appellanten hebben betrekking op de verplaatsing van een bestaande populaire horecagelegenheid. De Afdeling vat de beroepen aldus op, dat deze zich niet alleen richten tegen de medebestemming “coffeeshop”, maar ook tegen de onderliggende horecabestemming die de vestiging van de horecagelegenheid op de nieuwe plek mogelijk maakt. Dat verweerders goedkeuring hebben onthouden aan de medebestemming “coffeeshop” is dan ook geen reden om aan te nemen dat appellanten geen belang meer hebben bij hun beroepen.

2.7.1. Uit de stukken, waaronder het deskundigenadvies, en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende. Enige jaren geleden heeft de gemeenteraad besloten om ter verbetering van de kwaliteit van het gebied in de Westkolkstraat en omgeving een aantal panden te amoveren om de bouw van een theater mogelijk te maken. Voor deze ontwikkeling was het onder meer noodzakelijk dat een hoekpand aan de Westkolkstraat, waarin coffeeshop “Checkpoint” was gevestigd, werd gesloopt. Aan “Checkpoint” is vervolgens vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO verleend voor een tijdelijke vestiging op de parkeerplaats aan de overkant van de Westkolkstraat.

De in het plan voorziene plaats voor de nieuwe, permanente vestiging van “Checkpoint” ligt aan de Westkolkstraat, ongeveer 50 meter ten zuidwesten van de huidige, tijdelijke locatie. Deze nieuwe plaats is ongeveer 25 meter verwijderd van de woonhuizen aan de overkant van de Westkolkstraat en ligt schuin tegenover coffeeshop “Miami”, die ook aan de Westkolkstraat is gevestigd.

Met de komst van het theater is de Westkolkstraat ter hoogte van het theater afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Door deze afsluiting kan het autoverkeer de parkeerplaats aan de Westkolkstraat alleen bereiken en verlaten via de zuidzijde. De gemeente is voornemens om de gronden aan de voorzijde van het theater, het huidige parkeerterrein aan de Westkolkstraat, in te richten als theaterplein. Onder dit theaterplein wil de gemeente, met gebruikmaking van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, een ondergrondse parkeergarage aanleggen. De capaciteit van deze ondergrondse parkeergarage zal met 244 parkeerplaatsen worden afgestemd op de parkeerbehoefte van het nieuwe theater inclusief de gehele of gedeeltelijke vervanging van de parkeervoorzieningen aan de Westkolkstraat en de Scheldeboulevard.

Bij de nieuwe locatie van “Checkpoint” zullen 25 parkeerplaatsen worden aangelegd. Deze parkeervoorziening zal worden aangelegd op de plaats waar nu een leegstaand pand, het zogeheten Schippershuis, staat. Rond deze parkeervoorziening zal ter afscherming van de omgeving een haag worden geplant. Het theaterplein zal door middel van niveauverschil en een lage muur van de coffeeshop en bijbehorende parkeervoorziening worden gescheiden.

2.7.2. Naar aanleiding van de bezwaren heeft de gemeente door Royal Haskoning B.V. (hierna: Haskoning) een aanvullend onderzoek laten verrichten naar de verkeersaspecten van het bestemmingsplan. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 maart 2002. Hierin wordt gesteld dat de door de gemeente voorgestelde vormgeving in het gebied bij het Scheldetheater leidt tot een acceptabele verkeerssituatie. Haskoning stelt dat de parkeercapaciteit in het gebied voldoende is voor de verkeersaantrekkende functies in het gebied rond het theater, onder voorwaarde dat wordt gekozen voor een geëigende vorm van parkeerregulering. Dit betekent volgens haar dat moet worden gezorgd voor voldoende parkeerplaatsen met het juiste parkeerregime voor de betreffende doelgroep, waarbij de loopafstand moet worden afgestemd op de verblijfsduur. De verkeerscirculatie is, zo blijkt uit het rapport, goed geregeld via de aansluitingen van het gebied op de Scheldeboulevard en de Binnenvaartweg. Deze bieden directe routes voor het autoverkeer naar de diverse parkeerlocaties.

Uit een nader rapport van Haskoning van 30 augustus 2002 blijkt dat betaald kortparkeren zal worden ingevoerd voor het parkeerterrein bij “Checkpoint”, zodat hier geen voertuigen van langparkeerders zullen worden geparkeerd. Tijdens de parkeerpiek (in de avonduren op vrijdag en zaterdag) zal volgens dit rapport voldoende parkeerruimte beschikbaar blijven in de omgeving op voldoende korte loopafstand. De parkeerplaatsen voor vergunninghouders blijven gehandhaafd, waarbij is voorzien in een uitbreiding in de Westkolkstraat. Samenvattend wordt gesteld dat door de uitbreiding van de parkeercapaciteit in het gebied en een nadere invulling van het parkeerregime (gericht op prioriteit voor de bezoekers en terugdringen van langparkeerders) mogelijke toekomstige knelpunten, die tijdens de wekelijkse piekuren zouden kunnen ontstaan, op voorhand worden aangepakt en voorkomen.

Met betrekking tot de verkeersafwikkeling in het gebied wordt in dit rapport gewezen op de wijziging van de aansluiting van de Westkolkstraat op de Binnenvaartweg via een nieuw kort wegvak. De autobewegingen op het parkeerterrein aan de Westkolkweg zullen bij kortparkeren volgens Haskoning gestructureerd plaatsvinden. Er zal vrijwel geen zoekverkeer zijn en zelfs dan kan het terugrijden goed plaatsvinden.

2.7.3. De Afdeling overweegt dat aan een geldend bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen kunnen steeds andere bestemmingen en voorschriften in een plan worden opgenomen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerders een uitzondering hadden moeten maken op dit standpunt.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd noch anderszins grond voor het oordeel dat de genoemde onderzoeken van Haskoning zodanige gebreken vertonen dat hieraan in redelijkheid geen betekenis kan worden toegekend. Zij is, gelet op het hierboven overwogene, dan ook van oordeel dat verweerders hebben kunnen instemmen met de stelling van de gemeenteraad dat in het plangebied voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn en dat de verkeersafwikkeling niet als onaanvaardbaar kan worden beschouwd. De Afdeling neemt daarbij voorts in aanmerking dat de rapporten van Haskoning geen aanleiding geven tot de conclusie dat bij de bepaling van de parkeervraag geen rekening is gehouden met de andere functies in de omgeving, en dat de woningen van appellanten zich aan de rand van een uitgaansgebied bevinden, waar een grotere verkeersdrukte dan in bijvoorbeeld een buitenwijk niet ongewoon is.

2.7.4. Ten aanzien van geluidsoverlast door “Checkpoint” overweegt de Afdeling dat deze aspecten in het kader van de milieuwetgeving aan de orde kunnen komen. Dit neemt niet weg dat het bestemmingsplan het juridisch-planologisch kader biedt, waarin ook de mogelijke gevolgen voor het milieu dienen te worden meegewogen. Daarbij is voldoende dat verweerders er bij het nemen van het bestreden besluit, gezien de hun ter beschikking staande informatie, van konden uitgaan dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen zijn te verwachten.

2.7.5. De Afdeling is van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de gestelde overlast en in het algemeen de aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het plan van dien aard zijn, dat verweerders om die reden het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening hadden moeten achten. Appellanten hebben de Afdeling er voorts niet van overtuigd dat verweerders aan hun belang van bescherming van het woongenot in de afweging van belangen te weinig gewicht hebben toegekend.

Voor zover de bezwaren van appellanten betrekking hebben op kwesties van handhaving van de regelgeving voor de openbare orde, kunnen zij in deze procedure niet aan de orde komen.

De gepretendeerde overschrijding van de in het plan toegestane bedrijfsvloeroppervlakte van de te bouwen coffeeshop kan in de bestemmingsplanprocedure evenmin aan de orde komen.

2.7.6. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.8. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming “Horeca café/bar en parkeervoorzieningen H4/Vw(p)” die rust op de in het plan voorziene locatie van “Checkpoint” niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan bovengenoemde bestemming.

De beroepen zijn ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2a], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2b], [appellanten sub 2c] en anderen, voor zover ingesteld door [appellanten sub 2a], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2b] en anderen, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Kammeraat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

295.