Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200205075/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205075/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 1998, kenmerk MW96.17475-6093020, hebben verweerders aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor het winnen en verwerken van zand en grind in de gemeente West Maas en Waal.

Bij uitspraak van 1 juni 2001, nummer E03.98.1558, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

Bij brief van 12 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2002, heeft appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door P.A. Kuijper, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante stelt dat verweerders niet tijdig een nieuw besluit hebben genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van

1 juni 2001, nummer E03.98.1558.

2.1.1. Uit het systeem van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat in het onderhavige geval aan de hand van artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden geoordeeld binnen welke termijn verweerders een nieuw besluit moeten nemen.

Ingevolge artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht neemt het bestuursorgaan een besluit op de aanvraag zo spoedig mogelijk, doch – tenzij toepassing is gegeven aan artikel 3:29 – uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

2.1.2. Voor de berekening van de beslistermijn dient in dit geval te worden uitgegaan van de datum van verzending van de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling, te weten 1 juni 2001. Vastgesteld moet worden dat verweerders niet binnen de ingevolge artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht geldende termijn van zes maanden opnieuw hebben beslist op de aanvraag van appellante. Niet is gebleken dat verweerders evengenoemde termijn met toepassing van artikel 3:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben verlengd. Verweerders hebben dan ook niet tijdig een besluit genomen.

2.2. Het beroep is gegrond. Het ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit dient te worden vernietigd. Verweerders dienen een besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en binnen de in het dictum gestelde termijn. De Afdeling ziet geen aanleiding de gevraagde dwangsom krachtens artikel 8:72, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht op te leggen.

2.3. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen uitblijven van een besluit;

III. draagt gedeputeerde staten van Gelderland op binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

179-404.