Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200201125/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201125/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [plaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 1999 heeft de gemeenteraad van Katwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 februari 1999, vastgesteld het bestemmingsplan "Centrum".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van het college van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 12 oktober 1999, kenmerk RGG/ARB/165489A (hierna: het eerste goedkeuringsbesluit), beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 30 januari 2001, no. 199903974/1 (aangehecht), heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit besluit van verweerders gedeeltelijk vernietigd.

Verweerders hebben vervolgens bij hun besluit van 8 januari 2002, kenmerk DRGG/ARB/01/7939A, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij faxbericht van 21 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij faxbericht van 25 maart 2002. Deze faxberichten zijn aangehecht.

Bij brief van 3 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden, en verweerders, vertegenwoordigd door J.H.M. Hemelaar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, vertegenwoordigd door ir. J.H. Mennema en A. de Best, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het centrum van Katwijk en beoogt dit centrum te versterken. Het plan voorziet, voor zover van belang, in de bestemming “Woondoeleinden” op het perceel [locatie 1] en voor de gronden behorend bij [locatie 2] achter hotel Atlanta. Deze plandelen zijn vastgesteld ter voldoening aan artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het Koninklijk Besluit, bepaalt, voor zover van belang, dat, indien door de Kroon geheel of ten dele goedkeuring aan een bestemmingsplan is onthouden, de gemeenteraad een nieuw plan vaststelt, waarbij de beslissing van de Kroon in acht genomen wordt.

2.5. Appellant kan zich niet verenigen met de goedkeuring van de bestemming “Woondoeleinden” op de gronden aan het Westpad aan de achterzijde van zijn hotel, aangezien het hierdoor onmogelijk wordt het hotel uit te breiden. Deze uitbreidingen zijn volgens hem noodzakelijk in verband met de bereikbaarheid van het hotel voor bevoorrading en hotelgasten en voor het aanleggen van een tweede vluchtroute. Hij wijst hierbij op het Koninklijk Besluit van 27 november 1986, no. 20. Dat hij de voor de uitbreiding noodzakelijke panden nog niet heeft verworven, is volgens appellant te wijten aan het niet handhavend optreden van het gemeentebestuur jegens de eigenaren van de betreffende panden en mag geen reden zijn aan de gronden een woonbestemming te geven.

2.6. Verweerders hebben het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en hebben het plan goedgekeurd. Zij hebben overwogen dat het hotel altijd bereikbaar is voor bevoorrading en hotelgasten, ook in het geval de Badstraat is afgesloten, en dat de veiligheid voldoende wordt gewaarborgd door een verleende vergunning onder voorwaarden. Voorts zijn zij van mening dat de feiten en omstandigheden sinds het Koninklijk Besluit van 27 november 1986, no. 20, zodanig zijn gewijzigd dat hieraan geen uitvoering behoeft te worden gegeven. Uitbreiding van het hotel past volgens verweerders tenslotte niet in het woonkarakter van het Westpad. Derhalve zijn in het bestemmingsplan geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen, maar woonbestemmingen die in het karakter van de directe omgeving passen en die in overeenstemming zijn met het feitelijk gebruik.

2.7. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 30 januari 2001 (no. 199903974/1) heeft overwogen, is bij de vaststelling van het thans in geding zijnde plan het Koninklijk Besluit van 27 november 1986, no. 20, niet in acht genomen. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling het eerste goedkeuringsbesluit van verweerders, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de thans wederom in geding zijnde plandelen, vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling heeft hierbij het volgende overwogen:

”De Afdeling stelt vast dat verweerders in het bestreden besluit niet hebben besproken welke uitbreidings- en verbouwingsmogelijkheden het plan mogelijk maakt en welke appellant wenst. Verweerders hebben evenmin toegelicht waarom het om redenen van veiligheid niet noodzakelijk is een achteruitgang te verwezenlijken. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders in hun bestreden besluit onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het belang van appellant na afweging van de betrokken belangen niet heeft geleid tot onthouding van goedkeuring aan het in geding zijnde plandeel.”

De Afdeling is van oordeel dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerders zich thans in voldoende mate op de hoogte hebben gesteld van de uitbreidings- en verbouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en die appellant wenst en van de situatie met betrekking tot de brandveiligheid. Met betrekking tot dit laatste is uit de stukken en ter zitting gebleken dat aan de verleende gebruiksvergunning wordt voldaan en dat de huidige situatie nog mogelijkheden biedt om de veiligheid te vergroten. In zoverre is derhalve aan de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2001 voldaan.

2.7.1. Bij de vernietiging van de betreffende plandelen heeft de Kroon onder meer van belang geacht dat de gemeenteraad en gedeputeerde staten geen overwegende bezwaren hadden tegen de uitbreiding en dat het hotel, na verwerving van de daarvoor noodzakelijke panden, daadwerkelijk tot uitbreiding kon overgaan. Appellant heeft de panden echter nog niet kunnen verwerven en niet aannemelijk is dat hij dit binnen de planperiode wel zal kunnen, omdat is gebleken dat de eigenaren van de betreffende panden niet meer bereid zijn hun panden te verkopen. Hiervoor is naar het oordeel van de Afdeling niet van doorslaggevende betekenis dat de gemeenteraad niet handhavend heeft opgetreden tegen de eigenaren van de betreffende panden. Nog afgezien van de vraag of de gemeenteraad daartoe de bevoegdheid had, biedt handhavend optreden geenszins de garantie dat appellant de panden dan wel had kunnen verwerven. Ter zitting is voorts gebleken dat de gemeenteraad niet zal overgaan tot onteigening. Derhalve is niet aannemelijk dat de door appellant gewenste uitbreidingen binnen de planperiode kunnen worden verwezenlijkt. In zoverre hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, op grond waarvan verweerders aan de in het Koninklijk Besluit uitgesproken vernietiging geen betekenis meer hebben behoeven toe te kennen.

2.7.2. Wat betreft de stelling van appellant dat ter plaatse geen sprake is van een woongebied, is de Afdeling ter zitting gebleken dat de omgeving van het Westpad voornamelijk een woonkarakter heeft. Verweerders en de gemeenteraad geven thans, in tegenstelling tot de situatie ten tijde van het Kroonbesluit, de voorkeur aan versterking van het woonkarakter van dit gebied. Het beleid dat hieraan ten grondslag ligt, is in 1994 vastgelegd in het structuurplan “Katwijk 2000”. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Nu uitbreiding van het hotel binnen de planperiode niet aannemelijk is, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorkeur moet worden gegeven aan een bestemming gericht op het instandhouden en versterken van dit woonkarakter.

2.8. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

280-410.