Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200103229/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 57 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2002/1306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103229/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 april 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Blaricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 1998 hebben burgemeester en wethouders van Blaricum (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor splitsing van de woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 oktober 1998 hebben burgemeester en wethouders vrijstelling verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] voor bewoning door één huishouden met praktijkruimte/ambachtelijk bedrijf.

Bij besluit van 11 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders het door appellant tegen het besluit van 8 juni 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij hetzelfde besluit hebben burgemeester en wethouders het tegen het besluit van 21 oktober 1998 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 21 oktober 1998 herroepen en geweigerd vrijstelling te verlenen op grond van de zogenoemde toverformule voor gebruik voor wonen dan wel kantoor van het achterhuis en de bijgebouwen op het perceel [locatie]. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 9 april 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 april 2001, verzonden op 13 juni 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 september 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. I. Lelieveld en mr. D.J. Westhoven, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kom 1987” rust op het perceel de bestemming “Agrarische doeleinden”.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor landbouw en veeteelt op open grond zonder intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

Ingevolge artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften (de zogenoemde toverformule) verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in het eerste lid, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.

2.2. De woning is een voormalige boerderij, die bestaat uit een woonhuis en daarachter een deel van circa 1000 m3. Daarnaast staat een schuur van eveneens circa 1000 m3. Appellant heeft in 1998 het woonhuis verkocht. Zijn in het geding zijnde aanvragen om vrijstelling zijn primair erop gericht de hem nog in eigendom toebehorende deel als een zelfstandige woning te mogen gebruiken. De vermelde beslissing op bezwaar van 11 mei 1999 betreft enerzijds handhaving van de weigering vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die wet gold vóór 3 april 2000, (hierna: de WRO) en anderzijds handhaving van de weigering krachtens voormeld artikel 20, vierde lid, vrijstelling te verlenen voor het gebruik van de deel als zelfstandige woning.

2.3. Niet in geschil is dat het gebruik van de deel als zelfstandige woning in strijd is met voormeld artikel 20, eerste lid, zodat burgemeester en wethouders terecht hebben bezien of zij daarvan vrijstelling kunnen verlenen.

2.4. Ten aanzien van de weigering door burgemeester en wethouders de toverformule toe te passen, betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt stellen dat de gevraagde vrijstelling de reikwijdte van de toverformule overstijgt. Dit betoog faalt. Bij een wens tot gebruiksverandering moet, indien zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming niet meer mogelijk is, worden bezien of het betrokken bouwwerk geschikt is voor het gewenste gebruik, dan wel zonder ingrijpende voorzieningen voor dat gebruik geschikt kan worden gemaakt. Indien dat niet het geval is, kan de toverformule niet worden toegepast. Terecht heeft de rechtbank aangenomen dat, om de deel geschikt te achten voor het gewenste gebruik als woning, die ruimte moet voldoen aan de daarvoor geldende eisen van het Bouwbesluit. Vaststaat, naar ter zitting ook is bevestigd door appellant, dat de deel een kale ruimte is, voorzien van toilet en keuken. Reeds gelet op de inhoudsmaat van 1000 m3 en het ontbreken van scheidingsmuren en plafonds, moet worden geoordeeld dat ingrijpende bouwkundige voorzieningen nodig zullen zijn om de deel voor het gewenste gebruik als woning geschikt te maken. De door appellant ter zake overgelegde rapporten bieden geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. De gewenste gebruiksverandering gaat dan ook de reikwijdte van de toverformule te buiten. Voor het oordeel dat de rechtsgang bij de rechtbank niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zoals appellant in dit verband heeft betoogd, bestaat geen grond.

2.5. Ten aanzien van de weigering van burgemeester en wethouders toepassing te geven aan artikel 19 van de WRO, betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt stellen dat het door hen gevoerde beleid inzake splitsing van voormalige agrarische panden zich verzet tegen verlening van de vrijstelling.

2.5.1. In de beleidsnota “Splitsing van panden”, door de gemeenteraad van Blaricum vastgesteld op 19 februari 1998, — in het bijzonder op bladzijde 9 van deze nota — staat aan welke criteria moet worden voldaan om aan splitsing van voormalige boerderijen in meer dan één woning planologische medewerking te kunnen verlenen. Eén van die criteria is dat zinvol agrarisch gebruik, gebruik als boerderij met atelier of boerderij als woning niet meer mogelijk is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of dit criterium in de weg staat aan verlening van de gevraagde vrijstelling.

2.5.2. Voorop wordt gesteld dat burgemeester en wethouders in de beslissing op bezwaar gemotiveerd zijn ingegaan op de door appellant genoemde gevallen waarin zij wèl planologische medewerking hebben verleend aan splitsing van panden. Burgemeester en wethouders hebben afdoende weerlegd dat die gevallen met het onderhavige op één lijn zijn te stellen. Voorzover appellant zich op het gelijkheidsbeginsel beroept, slaagt zijn beroep niet. Naar het oordeel van de Afdeling hebben burgemeester en wethouders echter in de beslissing op bezwaar het betoog van appellant, dat — gelet op de omvang van de buiten het woonhuis resterende bebouwing op het perceel — zinvol gebruik daarvan anders dan als zelfstandige woonruimte niet mogelijk is, niet beargumenteerd weerlegd. Daarbij komt dat volgens bovenvermelde beleidsnota splitsing van agrarische panden in meerdere woningen als uiteindelijke optie uitdrukkelijk tot de mogelijkheden behoort. De beslissing op bezwaar berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering en is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dat miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voorzover die betrekking heeft op de weigering vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO te verlenen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellant in zoverre alsnog gegrond verklaren en het besluit van burgemeester en wethouders van 11 mei 1999 in zoverre vernietigen. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.

2.7. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 april 2001, AWB 99/5613 GEMWT, voorzover die betrekking heeft op de bij het besluit van burgemeester en wethouders van Blaricum van 11 mei 1999 gehandhaafde weigering vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het vermelde besluit van 11 mei 1999, voorzover onder II aangegeven;

V. draagt burgemeester en wethouders in zoverre op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt burgemeester en wethouders in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1522,38, waarvan een gedeelte groot

€ 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Blaricum te worden betaald aan appellant;

VIII. gelast dat de gemeente Blaricum aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (totaal € 267,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

27-423.