Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200203464/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/113 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2002/5174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203464/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 16 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Westervoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders van Westervoort (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie].

Bij brief van 21 november 2000 hebben burgemeester en wethouders, in reactie op de brieven van appellant van 26 oktober en 29 oktober 2000, hun visie weergegeven over het verhandelde rondom de verleende bouwvergunning, waarin onder meer de passage is opgenomen dat zij op 31 oktober 2000 hebben besloten om de op dat moment gedeeltelijk verwerkte gevelsteen in de in aanbouw zijnde woning van appellant niet goed te keuren.

Bij brief van 28 december 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beslissing van burgemeester en wethouders om de verwerkte gevelstenen af te keuren.

Bij besluit van 3 juli 2001 hebben burgemeester en wethouders het bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is

aangehecht.

Bij uitspraak van 16 mei 2002, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E.G.A. van Karnenbeek en F.J. Best, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit – waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van die wet bezwaar kan worden gemaakt – verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de mondelinge beslissing van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2000, die is weergegeven in de brief van 21 november 2000, strekkende tot het niet goedkeuren van de door appellant gebruikte gevelsteen bij de bouw van zijn woning, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze beslissing is niet gericht op rechtsgevolg, nu appellant daarbij slechts te kennen is gegeven dat de steenkeuze niet in overeenstemming is met de donkerrode steen als beschreven in het beeldkwaliteitsplan, die ter goedkeuring aan de gemeente had moeten worden aangeboden, en de verleende bouwvergunning. Dit is niet meer dan een feitelijke constatering zonder rechtsgevolgen. Van het (doen) stilleggen van de bouwwerkzaamheden of anderszins handhavend optreden was geen sprake. Dat appellant zich in de gegeven situatie genoodzaakt zag om het reeds (gedeeltelijk) gebouwde af te breken doet daaraan niet af. Evenmin kan de omstandigheid dat de commissie bezwaar- en beroepschriften van de Gemeente Westervoort zich op het standpunt heeft gesteld dat er wél sprake is van een appellabel besluit, tot een ander oordeel leiden.

2.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat burgemeester en wethouders het bezwaar tegen de beslissing van 31 oktober 2000 terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002.

292.