Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200103591/
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103591/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant], gevestigd te [plaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2001, kenmerk 241102, hebben verweerders met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer enkele voorschriften gewijzigd die zijn verbonden aan de krachtens deze wet aan appellante verleende vergunning voor een inrichting voor het smelten van aluminium, het gieten van aluminium in staven, het walsen van deze staven in strippen en het verven en lamineren van staalband en aluminium strippen/lamellen op het adres [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 8 juni 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 juni 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door ing. C.P. Weevers en H. Dekker, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 14 maart 1989 hebben verweerders voor de onderhavige inrichting krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend. De inrichting is gelegen op het gezoneerde industrieterrein Feyenoord, Schaardijk en Stadionweg. Ten behoeve van de geluidsanering is door burgemeester en wethouders van Rotterdam op 19 december 1997 een saneringsprogramma vastgesteld. Bij besluit van 29 maart 2000 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de maximaal toelaatbare geluidbelasting van de saneringswoningen vastgesteld op 55 dB(A) etmaalwaarde. Bij het thans bestreden besluit zijn mede ter uitvoering van het saneringsprogramma enkele aan de vergunning van 14 maart 1989 verbonden geluidvoorschriften met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer gewijzigd.

2.2. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante stelt dat aan het bestreden besluit ontoereikend akoestisch onderzoek is voorafgegaan naar de geluidbelasting van de inrichting. Volgens appellante is het onderzoek onvolledig geweest omdat dit is beperkt tot onderzoek naar de geluidbelasting in de nachtperiode en van belang zijnde activiteiten in de dagperiode niet in het onderzoek zijn betrokken. In het aan de Afdeling uitgebrachte deskundigenbericht is onder verwijzing naar het rapport van “Lichtveld Buis & Partners B.V.” van 23 april 2002 geconcludeerd dat de activiteiten in de inrichting in de dagperiode een geluidbelasting veroorzaken die 2 tot 4 dB(A) hoger is dan de geluidbelasting in de avond- en nachtperiode en dat de in het bestreden besluit opgenomen geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Mede onder verwijzing naar het hierop gevolgde rapport van “Lichtveld Buis & Partners B.V.” van 8 augustus 2002 hebben verweerders ter zitting geconcludeerd dat de in het bestreden besluit opgenomen geluidgrenswaarden voor de dagperiode te streng zijn. Gelet op het vorenstaande en hetgeen overigens uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart.

2.4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven naar het oordeel van de Afdeling geen bespreking meer.

2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 22 mei 2001, kenmerk 241102;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Zwinkels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

309.