Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200105238/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105238/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 13 september 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de Commissie Overige Geschillen (thans: de Commissie van administratief beroep) van de Provincie Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 1998 hebben appellanten de door [partij] gevraagde ontheffing van het verbod van het innemen van een standplaats buiten een woonwagencentrum geweigerd.

Bij besluit van 21 november 2000 heeft de Commissie Overige Geschillen (hierna: de Commissie) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van appellanten vernietigd en [partij] per direct een ontheffing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, in samenhang met artikel 10a, derde lid, van de Woonwagenwet verleend. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 september 2001, verzonden op 18 september 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op beroep vernietigd voorzover betrekking hebbend op voorschrift nr. 3 van de door de Commissie verleende ontheffing en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft de Commissie besloten het besluit van 21 november 2000 op een tweetal onderdelen in te trekken en is dit besluit voor het overige gehandhaafd.

Bij brief van 6 maart 2002 heeft de Commissie een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 5 juli 2002 heeft [partij] een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door P.J. Stam, ambtenaar der gemeente, bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, en de Commissie, vertegenwoordigd door mr. J.J.T. Peeters, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

Voorts is verschenen [partij], bijgestaan door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep ziet op de door de Commissie in administratief beroep aan [partij] verleende ontheffing als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet (oud) voor het hebben van de door hem ingenomen standplaats buiten een centrum tussen twee viaducten van de Rijksweg A7, aan de Hulkerweg te Berkhout. Daarbij is bepaald dat deze ontheffing eindigt op 1 december 2002, of zoveel eerder als er elders in de gemeente

Wester-Koggenland of daarbuiten een passende permanente standplaats is gevonden en dat de kosten van aanleg van de benodigde nutsvoorzieningen, die van beperkte aard dienen te zijn, voor rekening komen van de gemeente Wester-Koggenland.

2.2. Vast staat dat de Commissie bij de voorbereiding van haar besluit heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:12, derde lid, in samenhang met artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat in de publicatie waarin het voornemen om de ontheffing te verlenen is vermeld dat “direct omwonenden” en niet “belanghebbenden” van hun zienswijze kunnen doen blijken.

Anders dan appellanten hebben betoogd heeft de rechtbank in de schending van bedoeld vormvoorschrift terecht geen grond gezien voor vernietiging van het besluit. Daartoe acht de Afdeling van belang dat van het voornemen wel op de in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze kennis is gegeven in een nieuwsblad, te weten het West-Fries weekblad, editie West van 5 oktober 2000 en derhalve ook anderen dan alleen de direct omwonenden ervan kennis hebben kunnen nemen. Voorts is gesteld noch gebleken dat er behalve Rijkswaterstaat, die eigenaar is van het stuk grond, anderen zijn die als belanghebbende zouden kunnen worden aangemerkt en die door de foutieve vermelding in de kennisgeving zouden zijn benadeeld. Bovendien zijn appellanten door de schending van bedoeld vormvoorschrift niet benadeeld, nu de Commissie het ontwerp-besluit tijdig aan hen heeft toegezonden en appellanten over dit ontwerp-besluit zijn gehoord en in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te spreken omtrent de situering van de standplaats.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten aanzien van de schending van het in artikel 3:12, derde lid, van de Awb neergelegde voorschrift dan ook terecht toepassing gegeven aan artikel 6:22 van deze wet.

2.3. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat uit het systeem van de Woonwagenwet voortvloeit dat zonder ontheffing niet buiten een centrum standplaats kan worden ingenomen en dat daarvoor achteraf dan ook geen ontheffing kan worden verleend, faalt. Uit de Woonwagenwet kan niet worden afgeleid dat het illegaal innemen van een standplaats buiten een centrum een grond is voor weigering van een ontheffing.

2.4. Appellanten hebben voorts betoogd dat de rechtbank in de omstandigheid dat de Commissie, in afwijking van haar besluit, zich op het standpunt stelt dat niet zozeer sprake is van een kenbare reële mogelijkheid tot binding met de gemeente Wester-Koggenland maar van een bijzonder geval ten onrechte geen grond heeft gezien voor vernietiging van dat besluit.

2.5. Dit betoog slaagt. De Commissie heeft aan het besluit tot het verlenen van ontheffing ten grondslag gelegd dat [partij] een kenbare reële mogelijkheid tot binding met de gemeente Wester-Koggenland heeft.

Naar het oordeel van de Afdeling is echter niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de Commissie in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen. Het door [partij] gestelde plan om op een in deze gemeente gelegen perceel het vak van boomkweker te gaan uitoefenen is daarvoor onvoldoende. Naar [partij] ook heeft erkend heeft hij geen ander belang bij het innemen van een standplaats met een woonwagen in juist deze gemeente.

Naar het oordeel van de Afdeling bevat de Woonwagenwet, nu een voldoende aantoonbaar belang bij verblijf in de gemeente Wester-Koggenland als bedoeld in artikel 10, tweede lid, Woonwagenwet ontbreekt, en geen sprake is van een kenbare reële mogelijkheid tot binding met de gemeente Wester-Koggenland als bedoeld in artikel 10, derde lid, Woonwagenwet, geen grondslag voor het verlenen door de Commissie in administratief beroep van de gevraagde ontheffing. Nu de wet de mogelijkheid daartoe niet opent, kan die grondslag niet zijn gelegen in de omstandigheid, dat volgens de Commissie in administratief beroep sprake is van een bijzonder geval, waarvoor een tijdelijke oplossing diende te worden gevonden. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 november 2000 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en het beroep tegen het besluit van appellanten van 4 september 1998 alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft de Commissie, daarmee gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, besloten het besluit van 21 november 2000 op een tweetal onderdelen in te trekken en voor het overige te handhaven. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, moet het hoger beroep van appellanten geacht worden mede te zijn gericht tegen dit besluit.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat de Commissie bij dit besluit ten onrechte het besluit van 21 november 2000 gedeeltelijk heeft gehandhaafd. Het beroep tegen dit besluit is dan ook gegrond. Het besluit dient eveneens te worden vernietigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

A. met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak van

de rechtbank:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 13 september 2001, 01/924;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Commissie Overige Geschillen (thans: de Commissie van administratief beroep) van de Provincie Noord-Holland van 21 november 2000, 2000-42811;

V. verklaart het beroep van B. [partij] tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland van 4 september 1998 ongegrond;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

B. met betrekking tot het beroep tegen het besluit van de Commissie van

administratief beroep van 19 oktober 2001:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de Commissie van administratief beroep

van 19 oktober 2001, 2001-37119.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. J.G. Treffers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

71.