Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200201618/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 56K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201618/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Vereniging Eigenarenplatform Winkelcentrum Boulevard Zuid, gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 7 februari 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de raad der gemeente Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij beslissing van 6 april 2000 heeft de raad der gemeente Rotterdam (hierna: de raad) bepaald dat het project "TramPlus Carnisselandelijn" wordt gedefinieerd als stedelijk project, voor wat betreft de route wordt gekozen voor het zogenoemde Slinge/Langenhorsttracé en voorts een aantal randvoorwaarden gedefinieerd.

Bij besluit van 10 mei 2001 heeft de raad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante. Dit is aan de raad toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.H. van Meurs, advocaat te Rotterdam, en de Raad, vertegenwoordigd door mr. M.H. Kuipers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Onder rechtshandeling, als vorenbedoeld, wordt een handeling verstaan die is gericht op enig rechtsgevolg.

2.2. In geschil is of de beslissing van de raad van 6 april 2000 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de raad op 6 april 2000 niet een besluit in de zin van de Awb heeft genomen. Beoogd is de instemming van de raad te geven ten aanzien van het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 maart 2000 voor het project “Tramplus Carnisselandelijn” en in dit kader te kiezen voor het zogenaamde Slinge/Langenhorsttracé, wat het karakter heeft van een principebesluit. De Afdeling deelt in dit kader het oordeel van de rechtbank dat door de in deze beslissing opgenomen trajectkeuze geen wijziging ontstaat in de rechten of verplichtingen van een of meer rechtssubjecten. De omstandigheid dat bij de beslissing van 6 april 2000 tevens is bepaald dat het project geldt als stedelijk project maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat daarmee de bevoegdheid tot het nemen van planologische beslissingen rechtstreeks en onlosmakelijk is gewijzigd.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de in het geding zijnde beslissing niet is gericht op enig rechtsgevolg en derhalve ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb niet kan worden aangemerkt als een besluit. Het oordeel van de rechtbank dat de raad bij het bestreden besluit het bezwaarschrift van appellante op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, is derhalve juist. Gelet hierop hoeft hetgeen appellante in het kader van deze uitspraak voor het overige nog heeft aangevoerd geen bespreking meer.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

45-402.