Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200202388/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202388/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 15 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Noordenveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2001 hebben burgemeester en wethouders van Noordenveld (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor de bouw van een schuur op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 december 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de verleende bouwvergunning gehandhaafd, evenwel onder herstel van de onvolkomenheden in de vorm van de kadastrale aanduiding en het niet op de bouwvergunning vermeld hebben van de vrijstellingverlening. Dit besluit en het advies van de Onafhankelijke Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 15 november 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 maart 2002, verzonden op 21 maart 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door O. Horlings, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouders] als partij gehoord, bijgestaan door gemachtigde mr. J.P.H. Roggeveen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft de bouw van een schuur van 1.800 m². Voor het perceel geldt het bestemmingsplan “Kern Een” (hierna: het bestemmingsplan) van de voormalige gemeente Norg. De gronden waarop de schuur is geprojecteerd hebben de bestemming “Agrarisch technisch hulpbedrijf”. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat grotendeels buiten het bebouwingsvlak zal worden gebouwd en omdat de dakhelling van de kap 22o bedraagt, terwijl een dakhelling van minimaal 40o, en na binnenplanse vrijstelling 25o, is toegestaan.

2.2. Appellant betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling vanaf 3 april 2000 luidt, voor het verlenen van de vrijstelling van toepassing is, nu de aanvraag om bouwvergunning op 26 april 2000 is ingediend. De voorzieningenrechter is op juiste gronden tot zijn oordeel gekomen dat het in 1998 ingediende schetsplan moet worden aangemerkt als een verzoek om vrijstelling. Derhalve is voor de vrijstellingverlening de bepaling van artikel 19 van de WRO, zoals die tot 3 april 2000 luidde, van toepassing. Aangezien gedeputeerde staten van Drenthe ten behoeve van het bouwplan op 18 januari 2000 een verklaring van geen bezwaar hebben verleend en ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar een voorbereidingsbesluit gold voor het perceel, was reeds aan de formele vereisten daarvoor voldaan.

2.3. De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie minder ingrijpend is, behoeven minder zware eisen gesteld te worden aan de mate van spoedeisendheid van het bouwplan en aan het planologische kader op basis waarvan medewerking aan de voorgenomen bouw wordt gevraagd.

De voorzieningenrechter heeft dit uitgangspunt terecht als maatstaf voor zijn oordeel genomen.

2.4. Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de schuur om bedrijfseconomische noodzaak - teneinde de werktuigen op te slaan - gebouwd moet worden en dat daarmee de realisering van het bouwplan voldoende spoedeisend was om het volgen van de anticipatieprocedure te rechtvaardigen. Reeds omdat voor de uitvoering van het bouwplan (tevens) een milieuvergunning benodigd was, faalt ook het betoog van appellant dat, nu de procedure omtrent de bouwvergunning lange tijd in beslag heeft genomen, volgt dat van gebleken urgentie geen sprake is. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de loods niet voor de opslag van machines maar voor het gebruik als manege zal worden gebouwd.

2.5. De voorzieningrechter heeft voorts terecht geoordeeld dat geen sprake is van een ingrijpende inbreuk, nu de schuur weliswaar grotendeels buiten het bebouwingsvlak is gesitueerd, maar de grond ingevolge het bestemmingsplan tevens gebruikt mag worden voor bedrijfsdoeleinden, waaronder opslag van goederen en stalling van bedrijfsvoertuigen in de open lucht. Gelet voorts op het feit dat het bestemmingsplan, behoudens de dakhelling, de afmetingen van de schuur toelaat, kan dan ook niet staande worden gehouden dat het hier gaat om een ernstige inbreuk op het geldende planologische regime.

2.6. Appellant betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte doorslaggevende betekenis hebben toegekend aan het advies van de Stichting Het Drentse Welstandstoezicht (hierna: de welstandscommissie) van 8 mei 2000. Dit betoog slaagt evenmin.

Hoewel burgemeester en wethouders niet aan het welstandsadvies gebonden zijn en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hen berust, mogen zij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het volgen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders het niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hadden mogen leggen. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden overwogen dat burgemeester en wethouders mochten afgaan op het advies dat is uitgebracht door de welstandscommissie. Appellant heeft geen oordeel van een deskundige overgelegd ter bestrijding van het positieve oordeel van de welstandscommissie. Appellant stelt evenwel dat de welstandscommissie zich in het advies 8 mei 2000, in tegenstelling tot een eerder uitgebracht advies, niet uitlaat over het aanbrengen van beplanting om de schuur. De voorzieningenrechter heeft in dit verband echter op juiste gronden geoordeeld dat burgemeester en wethouders dit advies aan hun besluit ten grondslag konden leggen, nu ter zitting is gebleken dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds beplanting – zij het op de erfgrens – aanwezig was. De Afdeling is dan ook met de voorzieningenrechter van oordeel dat burgemeester en wethouders in redelijkheid tot hun oordeel terzake van de welstand van de schuur hebben kunnen komen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

17-406.