Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200201707/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201707/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 15 februari 2002 in de gedingen tussen:

de werkgroep “Voor behoud het bosje” en appellante sub 2

en

burgemeester en wethouders van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van 33 garageboxen op een perceel aan de Unescostraat - Anjelierstraat te Heerlen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 februari 2002, verzonden op die datum, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant sub 1 namens de werkgroep “Voor behoud het bosje” (hierna: de werkgroep) ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het daartegen door appellante sub 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief van 20 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2002, en appellante sub 2 bij brief van 26 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juni 2002 heeft [vergunninghouder] een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 28 juni 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2002, waar appellant sub 1 in persoon, appellante sub 2 in persoon, bijgestaan door mr. B.J. Berton, advocaat, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.L.P. Heijboer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft het door appellant sub 1 namens de werkgroep ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze werkgroep geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft echter miskend dat, naar uit de stukken kan worden afgeleid en ter zitting van de zijde van appellant sub 1 is bevestigd, laatstgenoemde het beroepschrift mede op eigen naam heeft ingediend. De rechtbank is dan ook ten onrechte niet aan een inhoudelijke beoordeling van dit beroep toegekomen.

2.2. Het hoger beroep van appellant sub 1 is gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Nu de rechtbank wel is ingegaan op de gronden van het door appellant sub 2 ingestelde beroep en deze gronden grotendeels overeenstemmen met die van het door appellant sub 1 ingestelde beroep, ziet de Afdeling aanleiding de zaak niet terug te wijzen naar de rechtbank, maar deze zelf af te doen.

2.3. Appellanten betogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan “Vrieheide-De Stack”, waarin aan het perceel de bestemming “Verkeersverzorging Klasse VAB” is toegekend. Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften mogen op gronden met deze bestemming autoboxen worden gebouwd.

2.4. Dit betoog faalt. Uit een vergelijking tussen de plankaart en de bouwtekening blijkt dat de noordelijk gelegen garageboxen binnen het bebouwingsoppervlak zijn gesitueerd. Tevens blijkt hieruit dat de toegangsweg op de bouwtekening in vergelijking met de plankaart enigszins noordelijker ligt als gevolg van gewijzigde eigendomsverhoudingen. Dit doet echter niets af aan de juiste situering van het bouwplan in het – ongewijzigd gebleven - bebouwingsoppervlak van het bestemmingsplan. De omstandigheid dat, naar appellanten stellen, een deel van de garageboxen deels op percelen van omwonenden is geprojecteerd, is, gelet op het limitatief-imperatief stelsel van de Woningwet, geen reden om de gevraagde vergunning te weigeren. Appellanten kunnen voorts niet worden gevolgd in hun stelling dat enkele van de geprojecteerde boxen, gelet op het feit dat zij slechts 4,70 meter diep zijn, niet kunnen worden aangemerkt als autoboxen in de zin van de planvoorschriften. Niet valt in te zien dat een gebouw met een dergelijke diepte niet voor de stalling van een auto zou kunnen worden gebruikt. Daarbij komt dat in de planvoorschriften geen minimumdiepte is aangeven.

2.5. Appellanten betogen voorts tevergeefs dat burgemeester en wethouders ten onrechte geen nader welstandsadvies hebben ingewonnen. De welstandscommissie heeft op 7 oktober 1999 positief geadviseerd over een bouwplan dat voorzag in 35 garageboxen op dezelfde locatie. Nadien is het bouwplan gewijzigd in die zin dat daarin nog slechts wordt voorzien in de bouw van 33 boxen. Deze wijziging is uit een oogpunt van welstandsbeoordeling verhoudingsgewijs beperkt en niet van dien aard dat de welstandscommissie opnieuw had moeten worden geraadpleegd.

2.6. Het betoog van appellant sub 1 dat het bouwplan niet voldoet aan de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Heerlen (hierna: APV) leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Strijdigheid met de APV, wat daarvan ook zij, kan immers, gelet op het limitatief-imperatief stelsel van artikel 44 van de Woningwet, geen grond zijn de bouwvergunning te weigeren.

2.7. Het betoog van appellanten in hoger beroep komt voor het overige neer op een herhaling van de gronden die zij in beroep bij de rechtbank hebben aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank die gronden terecht verworpen.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat het inleidende beroep van appellant sub 1 alsnog ongegrond moet worden verklaard. Het hoger beroep van appellant sub 2 is eveneens ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

2.9. De Afdeling acht, nu de beslissing op het bezwaarschrift van appellant sub 1 rechtmatig wordt geoordeeld, geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

2.10. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat – naar analogie van artikel 41, vijfde lid – het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan appellant sub 1 wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door appellant sub 1 ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 15 februari 2002, AWB 01/500 WW44 en 01/524 WW44 VOM, voorzover daarbij niet inhoudelijk is ingegaan op het door appellant sub 1 ingestelde beroep;

III. verklaart het bij de rechtbank door appellant sub 1 ingestelde beroep ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellant sub 1 het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht

(€ 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boer

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

201-429.