Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200203557/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203557/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2001 heeft de gemeenteraad van Son en Breugel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 9 oktober 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Kom Breugel 2000".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 21 mei 2002, kenmerk 795837, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 28 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2002, en appellant sub 2 bij brief van 19 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2002, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 september 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar de gemeenteraad van Son en Breugel gehoord, vertegenwoordigd door mr. C.A.A. Span, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan vervangt de bestemmingsplannen voor de oude kom van Breugel, het sport- en speelterrein Breugel en het bedrijventerrein Hoogstraat. Het plan heeft een conserverend karakter.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten sub 1 stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan voorzover daarbij de bestemming “Bedrijven” is toegekend aan hun gronden aan de [locatie], aangezien het plan in zoverre in de weg staat aan hun voornemen om ter plaatse een nieuwe bedrijfsruimte met woning te vestigen en de reeds aanwezige bedrijfswoning in gebruik te nemen als burgerwoning. Zij hebben in dit verband gewezen op het feit dat de gemeente in het verleden heeft toegestaan dat op een nabijgelegen perceel aan de [locatie] de bestemming van de aanwezige bedrijfsruimte werd gewijzigd in een woonbestemming. Appellanten hebben verder naar voren gebracht dat het voorheen geldende plan wel voorzag in de bouw van een tweede woning op het perceel. Voorts zou in een overleg met het hoofd van de sector Grondgebiedzaken zijn toegezegd dat bij het opstellen van het plan rekening zou worden gehouden met het voorstel van appellanten om de bestaande stal te vervangen door een woning met bedrijfsruimte. In zoverre zijn van gemeentewege verwachtingen gewekt, aldus appellanten.

2.3.1. Het perceel van appellanten ligt op het kleinschalige bedrijventerrein “Hoogstraat”. De gronden op dit terrein zijn voorzien van de bestemming “Bedrijven” en zijn daarmee bestemd voor lichte tot zeer lichte bedrijvigheid.

Hoewel niet in geding is dat het plan van appellanten een positieve bijdrage zal leveren aan het uiterlijk aanzien van het bedrijventerrein, wenst het gemeentebestuur niet mee te werken aan de plannen van appellanten. Het ontstaan van een nieuwe burgerwoning ter plaatse doet volgens hen immers afbreuk aan het bedrijvenkarakter van het bedrijventerrein.

Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd.

2.3.2. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. De omstandigheid dat de gemeente in het verleden heeft toegestaan dat op een nabijgelegen perceel aan de Herculeslaan de bestemming van de aanwezige bedrijfsruimte werd gewijzigd in een woonbestemming vermag hieraan niet af te doen. Niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerders om deze reden niet hebben kunnen instemmen met het plan.

Het betoog van appellanten dat het voorheen geldende plan wel voorzag in de bouw van een tweede woning op het perceel kan niet tot een ander oordeel leiden. De Afdeling overweegt in dit verband dat het voorheen geldende bestemmingsplan, “Hoogstraat herziening bedrijventerrein”, eveneens in de weg stond aan de bouw van een tweede woning op het perceel van appellanten. Overigens kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend aan een geldend plan. Op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen kan de gemeenteraad andere bestemmingen en voorschriften in een plan opnemen.

De stelling van appellanten dat van gemeentewege verwachtingen zijn gewekt, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. In het algemeen kunnen immers geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het hoofd van de sector Grondgebiedzaken, maar bij de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerders bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.4. Appellant sub 2 exploiteert een aannemersbedrijf op het perceel [locatie]. Een deel van dit perceel is voorzien van de bestemming “Achtertuin”. Appellant stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan deze bestemming. Hij heeft dienaangaande naar voren gebracht dat daardoor onduidelijk is welk bebouwingspercentage voor dit deel van het perceel heeft te gelden.

2.4.1. Ingevolge de planvoorschriften mag op de tot “Achtertuin” bestemde gronden niet worden gebouwd. Verweerders stellen zich op het standpunt dat dit gedeelte van het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, aangezien deze gronden bedrijfsmatig en met instemming van de gemeente worden gebruikt.

2.4.2. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. Gelet op het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ontstaat door de onthouding van goedkeuring voor de gemeenteraad de verplichting in zoverre een nieuw plan vast te stellen met inachtneming van het besluit van verweerders. De vraag of op dit deel van het perceel gebouwd mag worden en zo ja, welk bebouwingspercentage te gelden heeft op de gronden van appellant waaraan de bestemming “Achtertuin” was toegekend, kan in het kader van die procedure ten gronde aan de orde komen.

2.5. Het resterende deel van het perceel van appellant sub 2 aan het Pieter Breughelplein is voorzien van de bestemming “Gemengd gebied”. Ingevolge de planvoorschriften mogen de aldus bestemde gronden voor ten hoogste 50% worden bebouwd.

Appellant voert aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan dit deel van het plan. Een bedrijfsbestemming met het daarbij behorende bebouwingspercentage van 70% past beter bij het aannemersbedrijf, aldus appellant.

2.5.1. De gemeente voert het beleid om de solitair in de kern voorkomende winkels te bundelen aan het Pieter Breughelplein. Door toekenning van de bestemming “Gemengd gebied” aan de aan dit plein gelegen gronden worden de randvoorwaarden gecreëerd voor de herinrichting van dit gebied. Het toekennen van een bedrijfsbestemming aan de gronden van appellant is volgens de gemeenteraad in strijd met voornoemd beleid om ter plaatse een samenhangende winkelstructuur te ontwikkelen. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit deel van het plan goedgekeurd.

De Afdeling ziet in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. Daarbij is betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het bestaand gebruik positief is bestemd.

2.6. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.7. De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. De Rooy

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

303.