Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200203075/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203075/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 april 2002 in het geding tussen:

[verzoekers]

en

burgemeester en wethouders van Veghel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Veghel (hierna: burgemeester en wethouders) bepaald dat appellanten dwangsommen verbeuren indien zij niet binnen de gestelde termijn een bouwvergunning aanvragen voor de veldschuur en de antennemast op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en de nader bepaalde hekwerken rondom de hondenrennen op ditzelfde perceel verwijderen.

Bij besluit van 20 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de dwangsomaanschrijving van 6 november 2000 ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 april 2002, verzonden op 24 april 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 5 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [verzoekers]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2002, waar appellanten vertegenwoordigd door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. L.A. Muller, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders bevoegd waren handhavend op te treden tegen het gebruik van de gebouwen en bouwwerken van het hondenpension, voorzover daarvoor op 14 augustus 1995 en op 1 november 1995 vergunning is verleend.

2.1.1. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming “Agrarisch bouwblok”en “Agrarische doeleinden, landschappelijke waarden A-1”. Niet in geschil is dat het ingevolge artikel 47.1 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan, niet is toegestaan het perceel te gebruiken ten behoeve van een honden- en kattenpension.

Vast staat dat op 1 november 1995 bouwvergunning is verleend voor een kantoor, een voerhok en een muur. Blijkens de bij de vergunning behorende bouwtekening zijn deze gebouwen dan wel bouwwerken aangevraagd en vergund ten behoeve van het hondenpension. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat appellanten deze gebouwen dan wel bouwwerken, overeenkomstig de vergunning van 1 november 1995, mogen gebruiken ten behoeve van het hondenpension.

Vast staat dat op 14 augustus 1995 bouwvergunning is verleend voor onder meer een gebouw met 6 hondenhokken en een gebouw met 11 hondenhokken. De vergunning biedt geen aanknopingspunten voor de beantwoording van de vraag of deze hondenhokken ten behoeve van een hondenfokkerij of een hondenpension zijn verleend. Vast staat dat op 27 augustus 1993 een nieuwe de gehele inrichting omvattende milieuvergunning is verleend voor de activiteiten op het perceel. Deze vergunning ziet op onder meer een hondenpension en niet op een hondenfokkerij. Vast staat voorts dat het perceel op 10 april 1995 door een gemeenteambtenaar van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht en Milieubeheer is gecontroleerd. Uit het rapport van deze controle blijkt niet dat op het perceel, in afwijking van de milieuvergunning, een hondenfokkerij werd geëxploiteerd. Gelet hierop acht de Afdeling het – anders dan de rechtbank – voldoende aannemelijk dat de vergunning van 14 augustus 1995 is gevraagd en verleend ten behoeve van het hondenpension. Appellanten mogen deze gebouwen derhalve ook als zodanig gebruiken.

Nu onbetwist vaststaat dat de gebouwen en bouwwerken die met deze vergunningen zijn verleend ook ten behoeve van het pension worden gebruikt, konden burgemeester en wethouders tegen dat gebruik niet handhavend optreden. Gelet op de gebouwen en bouwwerken die blijkens de controle van 15 mei 2000 zonder dan wel in afwijking van de daarvoor vereiste bouwvergunningen zijn opgericht, heeft de rechtbank desalniettemin met juistheid geoordeeld dat burgemeester en wethouders bevoegd waren tot het treffen van handhavingsmaatregelen.

2.2. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien.

2.3. De aanwezigheid van bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen indien er concreet zicht bestaat op legalisatie.

Niet in geschil is dat ingevolge de artikelen 4.2 en 10.2 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan, het oprichten van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van een honden- en kattenpension niet is toegestaan. Het vigerende bestemmingsplan biedt derhalve geen grondslag voor legalisering. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het ten tijde van de bestreden beslissing op bezwaar niet aannemelijk was dat de voorgenomen wijziging van de voor het perceel geldende bestemming ook daadwerkelijk gerealiseerd zou worden, nu deze niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid en er geen aanknopingspunten waren dat daarvan zou worden afgeweken.

Concreet zicht op legalisatie was derhalve, gelijk de rechtbank oordeelt, niet aanwezig.

2.4. Ook overigens is niet gebleken dat hier sprake is van een bijzonder geval. Het perceel is, in elk geval vanaf 1995, regelmatig gecontroleerd, waarbij appellanten steeds zijn gewezen op de illegaal opgerichte gebouwen en bouwwerken. Gelet hierop is er onvoldoende aanleiding te oordelen dat burgemeester en wethouders niet meer tot handhavend optreden mochten besluiten omdat zij daarmee te lang hebben getalmd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

292.