Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200104164/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104164/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"NOVA Chemicals Netherlands B.V.", gevestigd te Breda,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2001, kenmerk 763155, hebben verweerders met toepassing van artikel 8.22 van de Wet milieubeheer de voor de inrichting van appellante verleende vergunningen voor de productie van polystyreen van 17 december 1985, 21 november 1989, 22 november 1994, 4 juni 1996 en 19 januari 1998 geactualiseerd. Dit aangehechte besluit is ter inzage gelegd op 6 juli 2001.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 september 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 13 september 2002 nadere stukken toegezonden. Deze zijn aan verweerders verzonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 april 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2002. Appellante is daar vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam en [gemachtigden]. Verweerders zijn vertegenwoordigd door ing. J. van Gerwen en M.R.M.J. Beekwilder-van den Heuvel, ambtenaren van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. Het besluit van 26 juni 2001 strekt tot het beperken van emissies naar de lucht van styreen en pentaan. In voorschrift 1.1.1 van het besluit is daartoe bepaald dat installaties van de inrichting zodanig in werking moeten zijn dat de hiernavolgende emissieplafonds, die betrekking hebben op de hele inrichting, niet worden overschreden:

- jaarvracht styreen vanaf 31 december 2002: 7.4 ton per jaar (op basis van een jaarproductie van 188 kton polystyreen (EPS en PS)

- jaarvracht pentaan vanaf 30 november 2003: 104 ton per jaar (bij een productie van 77 kton EPS per jaar).

Ingevolge voorschrift 1.2.1 van het besluit dient vergunninghoudster uiterlijk op 30 november 2001 een uitgewerkt reductieplan ter goedkeuring te overleggen aan Gedeputeerde Staten. Daarin dient zij aan te geven op welke wijze zij zal gaan voldoen aan de emissieplafonds zoals gesteld in voorschrift 1.1.1. Het reductieplan dient een controleerbaar stappenplan te bevatten, dat is gericht op het voldoen aan genoemde plafonds uiterlijk op de in voorschrift 1.1.1 genoemde data. Ingevolge voorschrift 1.2.2 dient vergunninghoudster het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde reductieplan uit te voeren.

2.2. Appellante betwist primair dat artikel 8.22 van de Wet milieubeheer de bevoegdheid schept voor het nemen van het besluit. Daartoe voert zij aan dat de uit het besluit voortvloeiende voorzieningen niet zonder meer verlangd kunnen worden vanwege de ontwikkeling van de technische mogelijkheden terzake, maar dat op grond van een haalbaarheidsonderzoek dient te worden afgewogen of en zo ja wanneer die voorzieningen kunnen worden verlangd. In dat verband voert zij verder aan dat zij bovendien uitvoering geeft aan de Intentieverklaring uitvoering milieubeleid chemische industrie 1993 en dat zij in dat kader zelf reeds een reductieplan voor VOC (hier: styreen en pentaan) heeft opgesteld. Tot slot voert zij aan dat de in voorschrift 1.1.1 genoemde jaarvrachten ten onrechte zijn gebaseerd op de productieomvang van EPS en PS in 1999 en niet op de productieomvang die op grond van de vergunningen is toegestaan.

2.3. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer, beziet het bevoegd gezag regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

Ingevolge artikel 8.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer wijzigt het bevoegd gezag de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moeten worden beperkt.

2.4. De Afdeling stelt vast dat verweerders de toegestane uitstoot van styreen en pentaan hebben beperkt aan de hand van de Nederlandse Emissie Richtlijnen (NER). De wijze waarop de NER is toegepast is niet betwist. In het besluit is niet dwingend voorgeschreven met behulp van welke middelen aan de emissie-eisen dient te worden voldaan; de keuze voor die middelen is aan appellante overgelaten. Aldus ziet de Afdeling niet in waarom verweerders in dit geval niet gerechtigd zouden zijn om met toepassing van afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer een aanscherping van de emissie-eisen van styreen en pentaan te bewerkstelligen. Dit neemt echter niet weg dat een besluit tot aanscherping van de emissie-eisen technisch uitvoerbaar dient te zijn binnen de gestelde termijnen. In dat verband overweegt de Afdeling het volgende.

Ofschoon in het besluit niet is voorgeschreven welke aanpassingen dienen plaats te vinden om aan de emissie-eisen te kunnen voldoen, moet op grond van de stukken worden aangenomen dat die aanpassingen ten minste dienen te bestaan uit een dampretoursysteem voor styreen en naverbranders op de pentaantanks. Partijen verschillen niet wezenlijk van inzicht omtrent de noodzaak om die nageschakelde technieken toe te passen, zodat het geschil zich toespitst op de duur van de termijnen die daarvoor in voorschrift 1.1.1 zijn gesteld.

Verweerders hebben die termijnen gebaseerd op de uitlatingen van appellante tijdens een overleg op 5 maart 2001, alwaar zij die termijnen als streefdata heeft genoemd. Tijdens dat overleg heeft zij aangekondigd uiterlijk in november 2001 een VOC-reductieplan over te leggen. Verweerders hebben het bestreden besluit genomen alvorens dat plan af te wachten. In voorschrift 1.2.1 van het besluit is de verplichting opgenomen voor december 2001 een reductieplan op te stellen ter voldoening aan de termijnen in voorschrift 1.1.1. Uit het onderzoek dat appellante heeft uitgevoerd naar de haalbaarheid van de nageschakelde technieken volgt - kort gezegd - dat die technieken uitvoerbaar zijn doch de termijnen niet haalbaar zijn. Dit standpunt is onderschreven in het deskundigenbericht, waarin wordt bevestigd dat de naverbranders niet kunnen worden geïnstalleerd voordat de pentaantanks zijn beveiligd en dat de termijn voor het installeren van een dampretoursysteem niet realistisch is vanwege de samenhang met andere maatregelen en voorzieningen. Volgens die stukken zal de termijnoverschrijding voor styreen ongeveer een jaar bedragen en voor pentaan meer dan drie jaar.

De Afdeling is van oordeel dat verweerders, door termijnen te stellen op een moment waarop de haalbaarheid daarvan niet bekend was, terwijl het onderzoek daarnaar binnen afzienbare tijd zou worden uitgevoerd, gehandeld hebben in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het beroep is op dit onderdeel gegrond. Het besluit dient om die reden geheel te worden vernietigd. Aan de beoordeling van hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd komt de Afdeling niet meer toe.

2.5. Concluderend is het beroep gegrond.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 juni 2001, kenmerk 763155;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 668,00, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

157.