Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200201445/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 416 met annotatie van G.A.C.M. van Ballegooij
JOM 2006/819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201445/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Essent Milieu B.V.", gevestigd te Zwolle,

appellante,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2001, kenmerk NL 101874, heeft verweerder geweigerd toestemming aan de naamloze vennootschap “N.V. AVR-Avira” te Rotterdam (hierna: AVR) te verlenen voor de uitvoer van 10.000.000 kg ongesorteerd bedrijfs- en grof huishoudelijk afval, afkomstig van inzameling, naar Duitsland met het oogmerk de afvalstoffen daar te sorteren en de afzonderlijke fracties middels materiaalhergebruik in te zetten.

Bij besluit van 17 januari 2002, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het door AVR hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 5 november 2001, kenmerk NL 101874, herroepen en daarvoor in de plaats toestemming verleend aan AVR om de afvalstoffen naar Duitsland over te brengen voor de periode tot 26 november 2002. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 februari 2002, bij verweerder ingekomen op 19 februari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 maart 2002. Verweerder heeft het beroepschrift, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bij brief van 7 maart 2002 ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 mei 2002, kenmerk MJZ2002042457, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en

[gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Ahraoui en mr. M.H.M. Meijer, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat appellante niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

2.2. Appellante stelt dat zij door het besluit van verweerder waarbij uitvoer naar Duitsland wordt toegestaan, rechtstreeks in haar belang wordt getroffen. Appellante meent zowel feitelijk als juridisch recht te hebben op de afvalstoffen. Indien de uitvoer van de afvalstoffen naar Duitsland niet zou worden toegestaan, is er volgens appellante geen ander bedrijf dan zijzelf die de afvalstoffen kan verwerken. Hierdoor treft de beslissing van verweerder haar rechtstreeks, aldus appellante.

2.3. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan tegen een besluit op grond van deze wet beroep worden ingesteld bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 20.13 van de Wet milieubeheer kan tegen besluiten als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, ten aanzien waarvan afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, beroep worden ingesteld door een belanghebbende.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4. De Afdeling is gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat door appellante geenszins aannemelijk is gemaakt dat zij een recht dan wel een feitelijke greep - wat dat ook zou zijn - zou hebben op de afvalstoffen indien export naar Duitsland niet wordt toegestaan. De enkele verwachting dat de betrokken partij afvalstoffen in een dergelijke situatie aan appellante zou worden aangeboden, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de marktpositie van appellante in die mate wordt verbijzonderd dat haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. Appellante kan derhalve niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Gemert

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

243-324.