Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1744

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200201808/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201808/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap onder firma [naam], gevestigd te [plaats],

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2001, kenmerk G52/1102 MD 1999, hebben verweerders met toepassing van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht een drietal lasten onder dwangsom opgelegd ter zake van overtreding van de hierna te noemen voorschriften, verbonden aan de oprichtingsvergunning van 20 oktober 1999, veroorzaakt door het in werking zijn van de inrichting van appellante (een groothandel in oude metalen en papier) gelegen op de percelen aan de [locatie]. De hoogte van de dwangsom is bepaald op:

- ƒ 250,00 (€ 113,45) per keer tot een maximum van ƒ 2.500,00 (€ 1.134,45) voor overtreding van (de) voorschrift(en) K-5 of L-1;

- ƒ 1.000,00 (€ 453,78) per dag tot een maximum van ƒ 30.000,00 (€ 13.613,41) voor overtreding van (de) voorschrift(en) R-1 of T-1 .

- ƒ 500,00 (€ 226,89) per dag tot een maximum van ƒ 15.000,00 (€ 6.806,70) voor overtreding van (de) voorschrift(en) O-3, U-6 of U-7.

Aan het besluit is een begunstigingstermijn van dertien weken verbonden. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 14 februari 2002, verzonden op dezelfde datum, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. K.M. Karssen-Hoogerwerf en ing. A. Bloemendaal, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting betreft een groothandel in ferro en non-ferro materialen. In de inrichting vindt voorts tijdelijke opslag van oud papier en oude loodhoudende accu's plaats.

2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

2.3. Appellante stelt dat de olievaten en de losse gasflessen die bij controles op het terrein zijn aangetroffen niet vallen onder respectievelijk de voorschriften L-1 en K-5 omdat deze vaten en flessen als werkvoorraad moeten worden beschouwd. Uit voorschrift K-8 volgt haars inziens dat het hebben van een werkvoorraad van gasflessen is toegestaan. Verweerders waren derhalve niet bevoegd handhavend op te treden.

2.3.1. Verweerders voeren aan dat de aangetroffen hoeveelheid olievaten te groot was voor een werkvoorraad en dat gasflessen, zowel lege als gevulde, uit veiligheidsoverwegingen direct bij binnenkomst naar de daarvoor bestemde plaats dienen te worden gebracht en daar dienen te worden vastgezet.

2.3.2. Ingevolge voorschrift K-5 moet worden voorkomen dat gasflessen kunnen omvallen.

Ingevolge voorschrift K-8 moeten gasflessen die niet aan een vaste plaats zijn gebonden buiten werktijd op een vaste, daartoe bestemde plaats zijn ondergebracht.

Ingevolge voorschrift L-1 moeten olieproducten worden bewaard in een uitsluitend daartoe bestemde bewaarplaats in vaten met een inhoud van maximaal 220 liter.

2.3.3. Uit de stukken, waaronder de brief van 6 juni 2000 inzake milieucontroles op 15 december 1999 en 26 april 2000, blijkt dat op het open terrein van de inrichting vaten met smeerolie en afgewerkte olie stonden opgesteld zonder voldoende bodembeschermende voorzieningen, en dat enkele rechtopstaande gasflessen niet waren beveiligd tegen omvallen. De Afdeling stelt vast dat appellante dit niet bestrijdt. De stelling dat de olievaten in gebruik waren, is niet aannemelijk gemaakt. Verder betekent het feit dat in voorschrift K-8 is bepaald dat gasflessen die niet aan een vaste plaats zijn gebonden buiten werktijd op een vaste, daartoe bestemde plaats moeten zijn ondergebracht, niet dat voor die gasflessen gedurende werktijd de verplichting van voorschrift K-5 niet geldt. De Afdeling is derhalve van oordeel, dat sprake is van overtreding van de voorschriften K-5 en L-1. Verweerders waren dan ook gerechtigd ten aanzien hiervan handhavingsmaatregelen te treffen. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de lasten onder dwangsom hebben kunnen opleggen. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellante voert aan dat bij de aanleg van een nieuwe vloeistofdichte verharding vertraging is opgelopen door de afvoer van schaarafvalzand en de levering van heipalen. Zij stelt dat de begunstigingstermijn van de dwangsom te kort is gesteld omdat zij afhankelijk is van derden. Tevens voert zij aan dat de vloer niet kan worden voltooid voordat een bufferput voor de riolering is aangebracht. Omdat de capaciteit van de riolering te krap is kunnen, volgens appellante, de slibvangput en olieafscheider niet op de riolering worden aangesloten voordat de bufferput is voltooid. Ook hier is, volgens appellante, de begunstigingstermijn te krap bemeten.

2.4.1. Verweerders voeren aan dat het gezien de aard van de werkzaamheden van het bedrijf van groot belang is dat een vloeistofdichte vloer aanwezig is waarvan de afvoer is aangesloten op het riool. Zolang dit niet het geval is kunnen, volgens verweerders, de bij de bedrijfsactiviteiten vrijkomende gevaarlijke stoffen in de bodem belanden. Zij stellen hierbij dat appellante in het verleden reeds meerdere malen een termijn voor het voltooien van de werkzaamheden heeft aangegeven, die achteraf niet gehaald werd.

2.4.2. Ingevolge voorschrift T-1 moet door toepassing van vloeistofdichte vloeren (of gedeelten daarvan) of opvangbakken en/of lekbakken worden voorkomen dat door de in de inrichting aanwezige installaties, opslag en/of verrichte werkzaamheden bodemverontreiniging wordt veroorzaakt.

Ingevolge voorschrift U-6 moet bedrijfsafvalwater met inbegrip van verontreinigd hemelwater worden geloosd in het openbaar riool voor de afvoer van vuilwater.

Ingevolge voorschrift U-7 moet de op de vloeistofdichte verharding opgevangen vloeistof worden afgevoerd via een zuiveringsinstallatie van voldoende capaciteit voor het verwijderen van zand, slibstoffen, oliën en vetten, alvorens te worden geloosd op het bedrijfsrioleringssysteem.

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat verweerders bij het stellen van de begunstigingstermijn van dertien weken rekening hebben gehouden met wat door appellante zelf als haalbaar werd aangegeven. De Afdeling is van oordeel dat de door verweerders opgelegde termijn ook overigens niet als onredelijk valt aan te merken. Dat volgens appellante inmiddels is gebleken dat de aanleg van een bufferput is aangewezen en dat appellante voor het voltooien van de noodzakelijke werkzaamheden mede afhankelijk is van derden kan hieraan niet af doen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid de desbetreffende lasten onder dwangsom konden opleggen. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellante voert tenslotte aan dat, in tegenstelling tot wat verweerders in het bestreden besluit stellen, geluidwanden om het terrein zijn aangebracht. Tevens voert zij aan dat daar waar geen geluidwand aanwezig is in overeenstemming met voorschrift O-3 een hekwerk is aangebracht. Appellante betoogt voorts dat het niet nodig was om op het laatste deel van het terrein waar nog geen vloer was, een geluidwand aan te brengen, nu ten tijde van het primaire besluit op dat deel van de inrichting niet kon worden gewerkt.

2.5.1. Verweerders stellen dat ten tijde van het bestreden besluit de geluidwanden niet rond het gehele terrein waren aangelegd en dat daar waar een geluidwand ontbrak geen deugdelijk hekwerk was aangebracht. Tevens stellen zij dat de geluidwanden niet overal van de vereiste bekleding waren voorzien.

2.5.2. Ingevolge voorschrift O-3 moet het terrein van de inrichting op de erfgrens, uitgezonderd de noodzakelijke toegangen en de erfgrens aan de waterkant van de Nieuwe Vaart, zijn afgesloten door een deugdelijke omheining. Deze dient bestand te zijn tegen de opgeslagen materialen en de werkwijze, vervaardigd te zijn van staal of beton, ten minste 2,5 meter hoog te zijn, of bestaan uit een gelijkwaardige constructie.

Ingevolge voorschrift R-1 moeten het equivalente geluidniveau (LAeq) en het maximale geluidniveau (Lmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de daarin verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, zoveel mogelijk worden beperkt als redelijkerwijs mogelijk is. Dit dient te gebeuren door het aanbrengen van doelmatige geluidschermen en het op correcte wijze plaatsen van geluidbronnen conform het saneringsprogramma ex artikel 71 van de Wet geluidhinder inzake het 'Cruquius Werkgebied' te Amsterdam-Zeeburg. De in het akoestische adviesrapport dgmr (nr. R.96.0107.A, 8 februari 1996) genoemde voorzieningen moeten worden uitgevoerd. Afwijkingen hiervan moeten zijn goedgekeurd door de Milieudienst. Het terrein van de inrichting moet daartoe op de erfgrens gelegen aan de openbare weg, uitgezonderd de noodzakelijke toegangen, zijn afgesloten door een deugdelijke geluidwerende wand met een hoogte van ten minste 6,5 m. De toe- of uitgangen moeten worden afgeschermd door middel van geluidwerende dwarswanden met een hoogte van ten minste 6,5 m binnen de inrichting, die in voldoende mate het geluidniveau veroorzaakt door de toestellen, installaties en de activiteiten beperken. Op de erfgrens aan de westzijde moet een deugdelijke geluidwerende wand met een hoogte van ten minste 3 m zijn aangebracht.

2.5.3. De Afdeling stelt allereerst vast dat uit de voorschriften O-3 en R-1 volgt dat voorzover op de erfgrens een geluidwand aanwezig is, geen hekwerk behoeft te worden geplaatst. Vaststaat dat op een deel van de in voorschrift R-1 genoemde plaatsen geen geluidwanden zijn aangebracht. Voorzover dit wel is gebeurd, voldoet een deel van de aangebrachte geluidwanden niet aan de eisen van doelmatigheid, nu de wanden niet geheel van de vereiste bekleding zijn voorzien. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het hekwerk, dat al dan niet in afwachting van het plaatsen van geluidwanden is aangebracht, niet voldoet aan de in voorschrift O-3 opgenomen kwalificaties. De Afdeling is dan ook van oordeel dat beide voorschriften zijn overtreden. Gelet hierop waren verweerders gerechtigd ten aanzien van beide voorschriften handhavend op te treden. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de desbetreffende lasten onder dwangsom hebben kunnen opleggen. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

191-353.