Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200203341/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203341/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], h.o.d.n. [naam], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 10 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Zwolle.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2000 heeft de burgemeester van Zwolle (hierna: de burgemeester) de sluiting van het bedrijf van appellant op het perceel [locatie] bevolen.

Bij brief van 31 januari 2001 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 maart 2001 heeft de burgemeester, onder intrekking van voormeld besluit vanwege de met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken Verordening op de seksinrichtingen, de sluiting van voormeld bedrijf bevolen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Zwolle (hierna: APV).

Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft de burgemeester het bezwaar van appellant, dat met inachtneming van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 2 maart 2001, ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 23 augustus 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 september 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2002, waar appellant in persoon, vergezeld van zijn [werkneemster] en bijgestaan door mr. drs. F.H. Garretsen, advocaat te Oud-Beijerland, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.C. Alblas, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting te exploiteren of te wijzigen. Volgens de begripsomschrijving van

artikel 3.1.1, onder c, wordt onder seksinrichting verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting worden in elk geval verstaan (voor zover hier van belang): een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon.

Ingevolge artikel 3.2.1, derde lid, van de APV kan uitsluitend vergunning als hiervoor bedoeld worden verleend voor:

a. het gebied binnen de stadsgrachten, zoals aangegeven op de bijgaande kaart;

b. het gebied buiten de bebouwde kom;

c. een aantal uitvalswegen binnen de bebouwde kom, zoals aangegeven op bijgaande kaart.

In artikel 3.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan in het geval van strijdigheid met de bepalingen in hoofdstuk 3 van een afzonderlijke seksinrichting tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting kan bevelen.

2.2. Appellant herhaalt in hoger beroep dat zijn massagesalon geen seksinrichting is. Dit betoog faalt. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester, op basis van de hem beschikbare gegevens, terecht de in het geding zijnde erotische massagesalon heeft aangemerkt als een seksinrichting in de zin van de APV. Tot die gegevens behoort onder meer het politierapport van 16 oktober 2001 van het prostitutieteam van de afdeling regionale recherche van de regiopolitie IJsselland en het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door toezichthoudende ambtenaren van de gemeente Zwolle. Hetgeen ter zitting door masseuse [werkneemster] is verklaard met betrekking tot de aard van de massages die in de salon worden uitgevoerd, kan daaraan niet afdoen, aangezien die verklaring niet strookt met de hiervoor genoemde gegevens, die de burgemeester ter beschikking stonden en er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van die gegevens.

In dit verband heeft appellant nog een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan door te wijzen op een in Zwolle gevestigde sauna genaamd Swoll, waar volgens hem dezelfde handelingen worden verricht, terwijl dat bedrijf niet over een APV-vergunning zou beschikken en deze volgens een ambtenaar ook niet zou zijn vereist. De Afdeling stelt vast dat deze grond eerst ter zitting in hoger beroep is aangevoerd en dat de gemachtigde van de burgemeester ter zitting heeft aangegeven niet in staat te zijn op de stelling van appellant te reageren. Gelet op het stadium van de procedure waarin deze grond naar voren is gebracht, bestaat geen aanleiding het onderzoek te verlengen, zodat de grond vanwege strijd met een goede procesorde buiten bespreking zal worden gelaten.

2.3. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat aangezien voor de exploitatie van het bedrijf geen vergunning was verleend, het in artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV neergelegde verbod werd overtreden, zodat de burgemeester gerechtigd was van de hem ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 3.2.4. van de APV gegeven bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang gebruik te maken. Niet kan worden staande gehouden dat de burgemeester niet overeenkomstig het door hem gevoerde beleid, zoals neergelegd in de nota "Prostitutiebeleid in Zwolle" van 7 november 2000 en het daarbij behorende Handhavingsarrangement, tot de algehele sluiting van de inrichting heeft kunnen overgaan.

2.4. Van een bestuursorgaan kan slechts in bijzondere gevallen worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een zodanig bijzonder geval kan zich voordoen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. De Afdeling sluit zich aan bij het door de rechtbank gegeven oordeel dienaangaande. Los van de beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag of sprake is van strijd met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan, heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat legalisering in het onderhavige geval niet mogelijk is. De inrichting is immers niet gelegen in één van de in

artikel 3.2.1, derde lid, van de APV aangewezen gebieden, zodat die omstandigheid reeds aan vergunningverlening in de weg staat. Gelet hierop ziet de Afdeling dan ook geen reden tot inwilliging van het verzoek van appellant om het onderzoek ter zitting te schorsen tot na de uitspraak op zijn beroep tegen de gehandhaafde weigering tot verstrekking van een

APV-vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan. Ook hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die de burgemeester noopte in dit geval van handhaving af te zien.

2.5. Het hoger beroep houdt voorts een verwijzing in naar het bezwaarschrift. Op de argumenten die appellant daarin heeft aangevoerd, is in de beslissing op bezwaar ingegaan en die beslissing is in de aangevallen uitspraak getoetst. Appellant heeft geen argumenten aangevoerd, waarom de overwegingen van de rechtbank dienaangaande onjuist zijn. Voor zover appellant in hoger beroep heeft verwezen naar zijn beroepschrift bij de rechtbank, moet worden geoordeeld dat hij ook op dit punt geen argumenten heeft aangevoerd, anders dan hiervoor besproken, die zouden moeten leiden tot het oordeel dat de overwegingen van de rechtbank dienaangaande onjuist zijn.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

97-367.