Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200203349/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203349/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Burgemeester en wethouders van Sint Anthonis,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's Hertogenbosch van 24 april 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats].

en

appellanten

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: appellanten) afwijzend beschikt op het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden ten aanzien van de laatst geplaatste paardencontainer op perceel [locatie].

Bij besluit van 3 juli 2002 hebben appellanten het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 april 2002, verzonden op 8 mei 2002, heeft de rechtbank te 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellanten een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 19 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 augustus 2002 heeft [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door J.M.A. van der Brugt-Willems en mr. E. Smids, ambtenaren der gemeente, en [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. A. Vinkenborg, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Onbetwist is dat voor het plaatsen van de aan de orde zijnde paardencontainer geen bouwvergunning was verleend, zodat appellanten bevoegd waren daartegen handhavend op te treden.

2.2. Indien door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Daarvan kan sprake zijn, indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.3. Dat de rechtbank, zoals appellanten stellen, heeft miskend dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1992” een voor de onderhavige paardencontainer toepasselijke vrijstellingsmogelijkheid kent, leidt niet tot het door appellanten met de stelling beoogde resultaat.

Appellanten hebben zich in de bestreden beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat legalisatie op basis van het geldende bestemmingsplan in beginsel mogelijk is, doch uit deze beslissing kan niet worden opgemaakt om welke vrijstellingsmogelijkheid het gaat. Hoewel het zesde lid van artikel 8 van de voorschriften, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in een vrijstellingsmogelijkheid voor de bouw van stallen of schuilgelegenheden voor paarden en vee, niet ten dienste c.q. in het kader van een agrarisch bedrijf, voorziet, is in de beslissing op bezwaar niet aangegeven of is voldaan aan de in dit artikellid gestelde voorwaarden (a t/m f). De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat een concreet zicht op legalisering in evenbedoelde zin niet aanwezig is.

Ook anderszins levert hetgeen appellanten hebben aangevoerd en hetgeen daaromtrent uit de stukken is gebleken, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, geen bijzonder geval op, op grond waarvan zij in redelijkheid hebben kunnen nalaten om in verband daarmee van handhavend optreden af te zien.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat de vernietiging van de beslissing op bezwaar wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht terecht is.

2.4 Het beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Sint Anthonis in de door [verzoeker] in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Sint Anthonis te worden betaald aan [verzoeker].

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

53-439.