Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200100097/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 65 met annotatie van A.A.J. de Gier
Module Ruimtelijke ordening 2002/2339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200100097/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de commanditaire vennootschap [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5a] en [appellant sub 5b], wonend te [woonplaats], respectievelijk [woonplaats] (Zwitserland),

6. de vereniging "Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming Pijnacker", gevestigd te Pijnacker, (verder te noemen: de VNMP)

7. burgemeester en wethouders van Pijnacker, thans Pijnacker-Nootdorp,

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2000, kenmerk DSZC/BG/4949vdr, hebben verweerders vastgesteld de “Partiële herziening Streekplannen Zuid-Holland West en Rijnmond Tracé N470” (verder te noemen: de herziening). Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 20 maart 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 november 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellant sub 2], [appellante sub 3] en [appellant sub 8] zijn echter niet verschenen. Ook verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Bevoegdheid van de Afdeling

2.1.1. Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: WRO), voorzover hier van belang, kunnen provinciale staten voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, voorzover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de WRO kan door eenieder beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een streekplan.

Ingevolge artikel 1 van de WRO wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt in een streekplan een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.

2.1.2. Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een vastgesteld of herzien streekplan slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die zijn gericht tegen daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen. Indien een beroep is gericht tegen een niet door het bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing aangegeven onderdeel van een streekplan, is het niet gericht tegen een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de WRO; de Afdeling is onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.

2.1.3. Indien een beroep ertoe strekt dat een beleidsuitspraak van het bestuursorgaan dat een streekplan kan vaststellen als een concrete beleidsbeslissing in een streekplan had moeten worden opgenomen, moet dit beroep worden opgevat als een beroep tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. De Afdeling overweegt daaromtrent dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 1 van de WRO (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 311, nr. 3, p. 13-15 en nr. 6, p. 43-45) blijkt dat de wetgever de bevoegdheid om te beslissen welke beleidsuitspraken als een concrete beleidsbeslissing moeten worden gezien, bewust uitsluitend aan het bestuursorgaan dat het plan vaststelt, heeft willen toekennen. Daarmee werd beoogd te voorkomen dat een rechter in beroep aan beleidsuitspraken de status van “concrete beleidsbeslissing” zou kunnen toekennen, waar het vaststellend bestuursorgaan niet voor die status heeft gekozen. In verband hiermee is de beroepsmogelijkheid inzake de vaststelling of herziening van een streekplan uitdrukkelijk beperkt tot de in dit plan door het bestuursorgaan als zodanig aangegeven concrete beleidsbeslissingen. Alle overige onderdelen van een streekplan zijn op de bij artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) behorende zogenoemde negatieve lijst geplaatst en daarmee van de mogelijkheid tot het instellen van beroep uitgesloten.

Voorzover ingevolge artikel 6:2 van de Awb de schriftelijke weigering om een besluit te nemen voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, overweegt de Afdeling dat dit artikel ten aanzien van de weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen, toepassing mist. Toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, stuit af op de hiervoor gebleken bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van de artikelen 1 en 54, tweede lid, aanhef en onder a, van de WRO. Dit betekent dat de uitzondering van de concrete beleidsbeslissing in de negatieve lijst beperkt dient te worden opgevat. Deze heeft geen betrekking op de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen.

Indien derhalve een beroep is gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen, is de Afdeling onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.

2.2. De concrete beleidsbeslissingen

2.2.1. De herziening heeft betrekking op:

1. het tracé en de vormgeving van de N470 en de N470-Zuid in relatie tot zijn directe omgeving;

2. het deel van de Zuidpolder van Delfgauw tussen de woningbouwlocatie Delfgauw (Emerald), het tracé van de N470 en het glasgebied zoals aangegeven op de streekplankaart Zuid-Holland West.

2.2.2. In de herziening wordt als concrete beleidsbeslissing aangemerkt:

Voor het streekplan Zuid-Holland West:

”- de wegverbinding tussen Zoetermeer en Delft met een aftakking naar Rotterdam, met uitzondering van die onderdelen en aspecten die reeds in het streekplan van 1996 als concrete beleidsbeslissing waren aangemerkt of reeds in de bestemmingsplannen ‘Bouwlocatie Delfgauw’ en ‘Tolhek’ zijn vastgelegd.

- het aanleggen van de N470 en de N470-Zuid – ook hier met bovengenoemde uitzondering – volgens het op de plankaart aangegeven tracé met inbegrip van de volgende kenmerken:

Westtak, tussen A13 en Verkeersplein Tolhek:

° een uitgebogen tracé ter hoogte van de doorsnijding van de Zuidpolder tussen Pijnacker en Delfgauw met een ondertunneling van de Zuideindseweg;

° een landschappelijke inpassing, die aansluit op of onderdeel uitmaakt van de (toekomstige) identiteit van de Zuidpolder als nieuw recreatie- en natuurgebied;

° de kruising met de Hofpleinlijn uitgevoerd als tunnel;

Oosttak, tussen verkeersplein Tolhek en Zoetermeer (voor zover in Zuid-Holland West):

° een ondertunneling bij de lintbebouwing van de Kleihoogt;

° een volledige aansluiting op de Noordeindseweg/Berkelseweg;

° een vormgeving van de bermen en hoogteligging van de weg die aansluit bij de (toekomstige) identiteit van het omliggende gebied;

° ruimte voor een natte en een droge ecologische en recreatieve verbinding bij de kruising van de N470 met de Strikkade (ter hoogte van Zoetermeer).”

Voor het streekplan Rijnmond:

”Aanleggen van de N470 en de N470-Zuid volgens het op de plankaart aangegeven tracé, met inbegrip van de volgende kenmerken:

Oosttak, tussen verkeersplein Tolhek en Zoetermeer (voor zover in Rijnmond):

° een ondertunneling bij de lintbebouwing van de Kleihoogt;

° een volledige aansluiting op de Noordeindseweg/Berkelseweg;

° een vormgeving van de bermen en hoogteligging van de weg die aansluit bij de (toekomstige) identiteit van het omliggende gebied;

° ruimte voor een natte en een droge ecologische en recreatieve verbinding bij de kruising van de N470 met de Strikkade (ter hoogte van Zoetermeer);

Zuidtak, tussen verkeersplein Tolhek en Rotterdam (voor zover in Rijnmond):

° in het smalle deel van de Groenblauwe Slinger tussen het verkeersplein Tolhek en de aansluiting Klapwijkseweg een vormgeving die bijdraagt aan het ruimtelijk versterken en het ecologische functioneren van de Groenblauwe Slinger; dit betekent: hooggelegen en niet gebundeld met de Hofpleinlijn, zodat er ruimte is voor een recreatieve en een (‘droge’ en ‘natte’) ecologische verbinding;

° ruimtereservering voor een eventuele toekomstige verbreding van 2x1 naar 2x2 rijstroken;

° een ondertunneling van het wegdeel ter hoogte van de lintbebouwing van de Rodenrijseweg;

° ruimte voor een recreatieve en een droge en natte ecologische verbinding tussen de Schiebroekse polder naar de polder Schieveen, via de Zuidpolder van Berkel en Rodenrijs.”

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat, blijkens het bestreden besluit, gelijktijdig met de vaststelling van de herziening de tot dusver geldende passages over de N470 in de streekplannen Zuid-Holland West en Rijnmond zijn ingetrokken. Het ter zitting door verweerders ingenomen standpunt dat hiermee niet het destijds vastgestelde tracé is ingetrokken, deelt de Afdeling niet. Gelet hierop komt aan de in de concrete beleidsbeslissing genoemde onderdelen en aspecten “die reeds in het streekplan Zuid-Holland West van 1996 als concrete beleidsbeslissing waren opgenomen”, geen betekenis meer toe. Voorzover deze onderdelen niet ook reeds in de bestemmingsplannen “Bouwlocatie Delfgauw” en “Tolhek” zijn vastgelegd, zijn deze derhalve niet van de aanduiding als concrete beleidsbeslissing uitgesloten.

2.3. Beroep van [appellanten sub 1]

2.3.1. [appellanten sub 1] voeren aan dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld, voorzover hierin geen zekerheid wordt gegeven ten aanzien van de ontsluiting van hun bedrijf. Appellanten wensen betere garanties voor de ongestoorde voortzetting van hun bedrijven. De Afdeling vat dit beroep op als gericht tegen de herziening voorzover hierin geen directe aansluiting van een weg in de buurt van hun bedrijfsgronden op de N470 is opgenomen.

2.3.2. Dit beroep is gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de concrete beleidsbeslissingen in de herziening, zoals verwoord in overweging 2.2.2. Gelet op de overwegingen 2.1.1. tot en met 2.1.3. is de Afdeling dan ook onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.4. Beroep van [appellant sub 2] en beroep van [appellante sub 3]

2.4.1. [appellant sub 2] en [appellante sub 3] voeren aan dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld, omdat door de aanleg van de N470 inbreuk wordt gemaakt op hun rechten met betrekking tot een perceel grasland kadastraal bekend gemeente Pijnacker. Appellanten stellen dat geen afweging heeft plaatsgehad tussen het vastgestelde tracé enerzijds en mogelijke alternatieven anderzijds waardoor het schaden van hun belangen had kunnen worden voorkomen.

2.4.2. Verweerders zijn van mening dat een zorgvuldige afweging tussen mogelijke alternatieven heeft plaatsgevonden. Voorzover de keuze van het tracé ertoe leidt dat gronden aangekocht en rechten afgekocht moeten worden, zal dit in een later stadium concreet worden geregeld.

2.4.3. Uit de stukken blijkt dat het perceel grasland ligt in de buurt van de Zuidtak van de voorziene N470. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 0,5 hectare. Het perceel is eigendom van [appellant sub 2] en wordt door hem verpacht aan [appellante sub 3]. [appellante sub 3] hebben een potgrondafzetovereenkomst gesloten met [partij]. Het uitrijden van overtollige potgrond door [partij] op het betreffende perceel levert [appellante sub 3] inkomsten op. Verder wordt het perceel gebruikt voor het weiden van vee en telt het mee voor de mestboekhouding van het melkveehouderijbedrijf van [appellante sub 3].

Voor het deel van de Zuidtak waarbij ook het perceel van [appellant sub 2] is gelegen, zijn blijkens de toelichting bij de herziening en het milieueffectrapport N470 (verder te noemen: MER) diverse varianten voor het tracé onderzocht. In het onderzoek is gekeken naar de thema’s ruimtelijke ordening en ruimtegebruik, verkeer en economie, bodem en water, landschap en cultuurhistorie, werk-, woon- en leefmilieu en natuur. Per thema zijn voorts een aantal criteria ontwikkeld waarop de varianten zijn getoetst. Uit het onderzoek blijkt dat het gekozen tracé voor dit deel van de Zuidtak het meest gunstig scoort op de onderzochte thema’s. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de afweging tussen de verschillende alternatieven onvoldoende zou zijn of dat verweerders niet van de uitkomsten van het onderzoek hadden mogen uitgaan.

Niet in geschil is dat de N470 volgens het gekozen tracé niet over het perceel zal worden aangelegd. Als gevolg van de aanleg van de N470 zal echter het Klapwijkselaantje worden omgelegd. Hierdoor zal het perceel worden aangesneden en zal dit geheel of gedeeltelijk moeten worden afgestaan. Welke delen van het perceel zullen moeten worden aangekocht, zal eerst duidelijk worden bij de vaststelling van de bestemmingsplannen waarin de aanleg van de N470 op perceelsniveau wordt geregeld. Op dat moment zullen verweerders contact opnemen met [appellant sub 2] en zo nodig overgaan tot onteigening. Voorts hebben verweerders aangegeven dat zij [appellante sub 3] hun rechten zo mogelijk willen laten uitoefenen tot het moment van aanleg van de N470. Resterende rechten zullen worden afgekocht.

Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling aannemelijk dat verweerders in voldoende mate rekening hebben gehouden met de belangen van appellanten. Bij afweging van de betrokken belangen hebben verweerders in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dan aan het belang dat is gediend bij het behoud van de rechten van appellanten.

2.4.4. In de bezwaren van appellanten ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid het tracé van de N470 in zoverre in de herziening hebben kunnen vastleggen. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zijn ongegrond.

2.5. Beroep van de VNMP

2.5.1. De VNMP voert allereerst aan dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld, voorzover hierin de ontwikkeling van de Groenblauwe Slinger (verder te noemen: de GBS) niet als een concrete beleidsbeslissing is opgenomen.

2.5.1.1. Dit beroep is gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de concrete beleidsbeslissingen in de herziening, zoals verwoord in overweging 2.2.2. Gelet op de overwegingen 2.1.1. tot en met 2.1.3. is de Afdeling dan ook in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.5.2. De VNMP is voorts van mening dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld, omdat het MER ontoereikend zou zijn en daarmee in strijd met de Wet milieubeheer. In het bijzonder voert appellante aan dat een aantal varianten niet of niet volledig zijn onderzocht, terwijl op onderdelen wel zou zijn gekozen voor een niet-onderzochte variant. Uit de stukken blijkt dat appellante in het bijzonder doelt op de O2C/O3D-variant als alternatief voor de Oosttak, alsmede op de O1A-variant als alternatief voor het tracé-deel door Pijnacker-Zuid.

2.5.2.1. Verweerders zijn van mening dat op goede gronden geen nadere beoordeling heeft plaatsgevonden van de milieueffecten van de genoemde alternatieven.

2.5.2.2. Uit hoofdstuk 2 van het MER blijkt dat de N470 een lange voorgeschiedenis heeft waarbinnen diverse studies naar de effecten van verschillende alternatieve tracés zijn gedaan. In evengenoemd hoofdstuk worden de uit de studies naar voren gekomen milieueffecten aan een actualiteitstoets onderworpen. Op basis hiervan is vervolgens bepaald welke alternatieven in het vervolg van de procedure buiten beschouwing kunnen blijven. Deze handelwijze heeft ertoe geleid dat weliswaar de O2C/O3D-variant niet nader is onderzocht, doch voor dat deel van de Oosttak nog steeds meerdere varianten in het MER zijn meegenomen. Ten aanzien van de O1A-variant blijkt uit de stukken dat deze niet in het verdere onderzoek is betrokken, omdat deze slechts kon dienen als alternatief voor het tracé-deel ten zuiden van Pijnacker-Zuid. Een gedeelte van dit tracé-deel was echter reeds vastgelegd in het bestemmingsplan Tolhek en als gevolg hiervan van de concrete beleidsbeslissing uitgesloten. Voor zover appellante aanvoert dat de variant met parallelweg bij de Pastoor Verburchweg niet in het MER zou zijn meegewogen, stelt de Afdeling vast dat in het MER verschillende mogelijkheden in verband met de Pastoor Verburchweg worden besproken. Het is de Afdeling niet gebleken dat verweerders ten tijde van het nemen van hun besluit over onvoldoende kennis beschikten om tot een afgewogen beslissing te komen.

2.5.3. De VNMP is voorts van mening dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld voorzover hierin de ruimtereservering voor extra rijstroken als concrete beleidsbeslissing is opgenomen. Naar haar mening betekent dit een ongeoorloofde inbreuk op het te beschermen GBS-gebied.

2.5.3.1. Verweerders wijzen erop dat de verwezenlijking van deze eventuele toekomstige uitbreiding aan strikte voorwaarden is gebonden.

2.5.3.2. Ten aanzien van de ruimtereservering merkt de Afdeling op dat een planologische reservering van gronden in een streekplan ten behoeve van toekomstige ontwikkelingen zoals een wegtracé op beleidsmatige gronden noodzakelijk kan zijn om te voorkomen dat op lokaal niveau een bestemmingsplan wordt vastgesteld op basis waarvan zich ongewenste ontwikkelingen kunnen voordoen die de latere aanleg of uitbreiding van het tracé bemoeilijken.

In dit geval hebben verweerders de ruimtereservering in het beleid opgenomen om daarmee te voorkomen dat een mogelijke uitbreiding van de N470 met twee extra rijstroken zou worden belemmerd of bemoeilijkt. De reservering is voornamelijk bedoeld om te voorkomen dat op de desbetreffende gronden gebouwd kan worden. Verweerders hebben dit onderdeel van het beleid als concrete beleidsbeslissing aangemerkt en daarmee bewerkstelligd dat dit onderdeel van het beleid voor beroep vatbaar is geworden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders deze beslissing niet in redelijkheid hebben kunnen nemen. Dat hiermee nog niet definitief vaststaat welke bestemming de desbetreffende gronden in een bestemmingsplan kunnen krijgen, kan hier in dit geval niet aan afdoen. Het is de Afdeling niet gebleken dat verweerders het functioneren van de GBS als ecologische verbindingszone onvoldoende in hun besluitvorming hebben betrokken.

2.5.4. De VNMP is voorts van mening dat de concrete beleidsbeslissing ter bescherming van de (toekomstige) identiteit van de Zuidpolder te vaag en niet concreet genoeg is. Zij wenst deze te vervangen door de formulering “Realisatie van de Westtak van de N470 met bijbehorende mitigerende maatregelen zodanig dat het toekomstig funktioneren van de GBS als ecologische verbindingszone overeenkomstig de eisen zoals geformuleerd in amendement [naam] kan worden gerealiseerd”. Ten aanzien van de concrete beleidsbeslissing inzake de vormgeving van de bermen en hoogteligging van de weg die aansluit bij de (toekomstige) identiteit van het omliggende gebied van de oosttak is appellante van mening dat deze onvoldoende garanties biedt voor een goed functioneren van dit gebied. Zij wenst deze concrete beleidsbeslissing te vervangen door de formulering “Realisatie van de Oosttak van de N470 met bijbehorende mitigerende maatregelen zodanig dat het toekomstig funktioneren van de GBS als ecologische verbindingszone overeenkomstig de eisen zoals geformuleerd in amendement [naam] kan worden gerealiseerd”. Voorts meent appellante dat de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de Zuidtak inzake de ruimtelijke versterking van de GBS te vaag is. Er dient speciale aandacht te zijn voor de inrichting ter plaatse.

2.5.4.1. Verweerders zijn van mening dat de door de VNMP voorgestelde formuleringen niet concreter zijn dan de vastgestelde concrete beleidsbeslissingen. Zij menen voorts dat de herziening een integrale benadering van de N470 en de GBS voldoende waarborgt.

2.5.4.2. Uit de herziening en de toelichting hierop blijkt genoegzaam dat verweerders het functioneren van de GBS als ecologische verbindingszone in hun besluitvorming hebben betrokken. Om te bereiken dat bij de vormgeving en aanleg van de N470 rekening wordt gehouden met de GBS, hebben zij deze reeds nu in de concrete beleidsbeslissingen opgenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders deze beslissing niet in redelijkheid hebben kunnen nemen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de concrete beleidsbeslissingen te vaag en onvoldoende duidelijk zijn geformuleerd.

2.5.5. Gelet op al het voorgaande ziet de Afdeling in de bezwaren van appellante geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid het tracé van de N470 in zoverre in de herziening hebben kunnen vastleggen. Het beroep van appellante is ongegrond.

2.6. Beroep van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp

2.6.1. Burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp voeren aan dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld, voorzover hierin geen directe aansluiting van de Komkommerweg op de N470 is opgenomen. Appellanten betogen hiertoe allereerst, zo is ter zitting gebleken, dat de beslissing om in de herziening geen directe aansluiting op te nemen, onderdeel is van de concrete beleidsbeslissingen in de herziening, doordat de gewenste aansluiting niet is opgenomen op de zogenoemde namenkaart in de herziening.

2.6.1.1. Verweerders zijn van mening dat de namenkaart geen onderdeel is van de concrete beleidsbeslissingen.

2.6.1.2. De Afdeling overweegt dat in de voorliggende herziening de concrete beleidsbeslissingen worden gevormd door de als zodanig aangegeven tekst, in combinatie met de (streek)plankaarten. Dit betreft de “Gewijzigde streekplankaart Zuid-Holland West” en de “Gewijzigde streekplankaart Rijnmond”. De namenkaart maakt derhalve geen deel uit van de concrete beleidsbeslissingen.

2.6.2. Appellanten betogen voorts dat evengenoemde aansluiting ten onrechte niet als concrete beleidsbeslissing in de herziening van het streekplan is opgenomen.

2.6.2.1. Het beroep van appellanten is in zoverre gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de concrete beleidsbeslissingen in de herziening, zoals verwoord in overweging 2.2.2.

2.6.3. Appellanten betogen tot slot dat andere onderdelen van het streekplan, zoals een gedeelte van de tekst op pagina 54, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verweerders tegen de gewenste aansluiting zijn, omdat zij het aantal rotondes tot maximaal drie willen beperken, zo concreet zijn geformuleerd dat deze wellicht als een concrete beleidsbeslissing moeten worden gezien.

2.6.3.1. Het beroep van appellanten is ook in zoverre niet gericht tegen de concrete beleidsbeslissingen in de herziening, zoals verwoord in overweging 2.2.2. Gelet op hetgeen in overweging 2.1.3. is overwogen, heeft de Afdeling voorts niet de bevoegdheid ten aanzien van een beleidsuitspraak in een streekplan zelfstandig te beoordelen of sprake is van een concrete beleidsbeslissing, waar het vaststellend bestuursorgaan niet voor die status heeft gekozen.

De Afdeling merkt hierbij overigens op dat in artikel 4a van de WRO enkel ten aanzien van de concrete beleidsbeslissing is bepaald dat een dergelijke beslissing bij de vaststelling van gemeentelijke of regionale plannen als bedoeld in de hoofdstukken IV of IVA van deze wet in acht moet worden genomen. De vraag in hoeverre andere onderdelen van een streekplan (kunnen) doorwerken in de besluitvorming rond gemeentelijke of regionale plannen kan in de onderhavige procedure, die betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissingen in de herziening, niet aan de orde komen. Ter zitting hebben verweerders in dit verband aangegeven dat de gewenste aansluiting niet als concrete beleidsbeslissing is opgenomen, maar de tekst van de concrete beleidsbeslissingen zich niet verzet tegen een extra aansluiting.

2.6.4. Gelet op al het voorgaande, alsmede op de overwegingen 2.1.1. tot en met 2.1.3. komt de Afdeling tot het oordeel dat zij onbevoegd is van het beroep van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp kennis te nemen.

2.7. Beroep van [appellant sub 8]

2.7.1. [appellant sub 8] voert aan dat verweerders de herziening ten onrechte hebben vastgesteld, omdat door de aanleg van de N470 inbreuk wordt gemaakt op zijn rechten met betrekking tot een hoeveelheid grasland. Appellant stelt dat geen afweging heeft plaatsgehad tussen het vastgestelde tracé enerzijds en mogelijke alternatieven anderzijds waardoor het schaden van zijn belangen had kunnen worden voorkomen. Appellant wenst een ongestoorde voortzetting van het gebruik van de desbetreffende percelen.

2.7.2. Verweerders zijn van mening dat een zorgvuldige afweging tussen mogelijke alternatieven heeft plaatsgevonden. Voorzover de keuze van het tracé ertoe leidt dat gronden aangekocht moeten worden, zal dit in een later stadium concreet worden geregeld.

2.7.3. Uit de stukken blijkt dat appellant pachter is van ongeveer 20 hectare grasland, die liggen in de buurt van de Zuidtak van de N470. Appellant gebruikt de percelen voor de uitoefening van zijn veehandelsbedrijf.

Zoals reeds in overweging 2.4.3. overwogen, zijn voor dit deel van de Zuidtak diverse varianten voor het tracé onderzocht. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de afweging tussen de verschillende alternatieven onvoldoende zou zijn of dat verweerders niet van de uitkomsten van het onderzoek hadden mogen uitgaan.

Niet in geschil is dat de N470 de gepachte gronden zal doorsnijden, waardoor deze voor appellant grotendeels onbereikbaar worden en appellant in zijn bedrijfsvoering wordt gehinderd. Verweerders hebben aangegeven dat de gronden en het bedrijf van appellant grotendeels of geheel aangekocht zullen worden. Hierover vinden onderhandelingen plaats.

Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling aannemelijk dat verweerders in voldoende mate rekening hebben gehouden met de belangen van appellant. Bij afweging van de betrokken belangen hebben verweerders in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dan aan het belang dat is gediend bij het behoud van de rechten van appellant.

2.7.4. In de bezwaren van appellant ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid het tracé van de N470 in zoverre in de herziening hebben kunnen vastleggen. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

2.8. Beroep van [appellanten sub 4] en beroep van

[appellanten sub 5]

2.8.1. [appellanten sub 4] zijn van mening dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld, omdat de afweging en de keuze voor het tracé van de N470, zoals weergegeven in het MER, op onzorgvuldige wijze tot stand zouden zijn gekomen. Appellanten voeren in het bijzonder aan dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen en er sprake is van onevenredig nadeel voor hun bedrijf.

[appellanten sub 5] zijn van mening dat verweerders ten onrechte de herziening hebben vastgesteld, omdat door de aanleg van de N470 inbreuk wordt gemaakt op hun rechten met betrekking tot de eendenkooi in de Zuidpolder van Delfgauw. Verder menen zij dat de partiële herziening strijdt met het Structuurschema Groene Ruimte (verder te noemen: SGR), omdat een deel van het tracé binnen een kerngebied van de Ecologische Hoofdstructuur ligt. Voorts zou de partiële herziening in strijd zijn met het Provinciaal Milieubeleidsplan, omdat het stiltegebied in de Zuidpolder wordt aangetast. Ter zitting hebben appellanten benadrukt dat de herziening ten onrechte is vastgesteld, omdat er in de Zuidpolder diverse beschermde diersoorten verblijven. Verweerders zouden onvoldoende hebben onderzocht of de in verband hiermee benodigde ontheffingen dan wel vergunningen verkregen kunnen worden en daarmee zou het besluit in strijd met de Habitatrichtlijn en de Natuurbeschermingswet zijn genomen.

Het bedrijf van [appellanten sub 4] ligt in de buurt van de Westtak van de N470. De Zuidpolder van Delfgauw ligt ten zuiden van deze Westtak. De Afdeling vat de bezwaren van appellanten dan ook op als gericht tegen de vaststelling van dit deel van het gekozen tracé.

2.8.2. Uit het MER (p. 87) komt naar voren dat in de Zuidpolder van Delfgauw tenminste zes soorten vleermuizen voorkomen, waaronder de dwergvleermuis en de laatvlieger. Voorts komen hier voor de bunzing, de wezel en de hermelijn, verschillende amfibieënsoorten, zoals de gewone pad, de kleine watersalamander en verschillende soorten kikkers, alsmede vele soorten insecten. Bovendien wordt dit gebied door een groot aantal weide- en zangvogels, waaronder de bedreigde soorten zomertaling en veldleeuwerik, gebruikt als broed- en fourageergebied. Een aantal van deze dieren behoort tot soorten welke ingevolge het bepaalde in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn, de toenmalige Natuurbeschermingswet, het Verdrag van Bern en de bij deze regelingen behorende bijlagen, bijzondere bescherming behoeven.

Verweerders hadden, naar het oordeel van de Afdeling, het plan niet kunnen vaststellen indien zij in redelijkheid hadden moeten inzien dat uitvoering van het plan ertoe zou leiden dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de beschermde diersoorten in die mate wordt aangetast dat zij daarin niet meer kunnen voortbestaan. Evenmin hadden verweerders het plan kunnen vaststellen indien en voorzover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de noodzakelijke ontheffingen dan wel vergunningen niet zouden kunnen worden verleend.

Het is de Afdeling niet gebleken dat verweerders het vorenstaande in voldoende mate in hun besluitvorming hebben betrokken. Hierbij neemt zij in aanmerking dat hiertoe des te meer aanleiding bestond nu de aanwezigheid van de beschermde soorten reeds uit het MER naar voren komt. Voorts vindt de stelling van verweerders dat de beschermde diersoorten ter plaatse van de Westtak niet zouden voorkomen, omdat deze aan de rand van de Zuidpolder is gesitueerd, geen steun in het MER, nu hierin slechts in algemene zin over de Zuidpolder als open weidegebied wordt gesproken. Overigens is hiermee niet de vraag beantwoord in hoeverre deze stelling van invloed zou kunnen zijn op het al dan niet kunnen verkrijgen van een ontheffing.

2.8.3. Hieruit volgt dat het bestreden besluit ten aanzien van de Westtak van het tracé van de N470 onzorgvuldig is voorbereid. Het beroep van [appellanten sub 5] is reeds hierom gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Omdat het beroep van [appellanten sub 4] op hetzelfde deel van het tracé betrekking heeft, is ook dit beroep reeds hierom gegrond. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van zowel [appellanten sub 5] als [appellanten sub 4] geen bespreking meer.

2.9. Proceskostenveroordeling

2.9.1. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen van [appellanten sub 1] en van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp geheel en van het beroep van de VNMP voorzover het betreft het opnemen van de ontwikkeling van de GBS als een concrete beleidsbeslissing;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] gegrond;

III. vernietigt het besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 8 november 2000, kenmerk DSZC/BG/4949vdr, voorzover het betreft de concrete beleidsbeslissing

“het aanleggen van de N470 en de N470-Zuid (…) volgens het op de plankaart aangegeven tracé met inbegrip van de volgende kenmerken:

Westtak, tussen A13 en Verkeersplein Tolhek:

° een uitgebogen tracé ter hoogte van de doorsnijding van de Zuidpolder tussen Pijnacker en Delfgauw met een ondertunneling van de Zuideindseweg”

voorzover deze beslissing betrekking heeft op het deel van het tracé van de N470 dat is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

IV. verklaart het beroep van de VNMP voor het overige en de beroepen van [appellant sub 2], [appellante sub 3] en [appellant sub 8] geheel ongegrond;

V. veroordeelt provinciale staten van Zuid-Holland in de door [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten, als volgt:

A. € 826,60 aan [appellanten sub 4], welk bedrag voor een gedeelte groot

€ 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

B. € 668,30 aan [appellanten sub 5], welk bedrag voor een gedeelte groot

€ 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10 voor [appellanten sub 4] en € 102,10 voor [appellanten sub 5]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

196-350.