Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200200267/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200267/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], h.o.d.n. [bedrijf], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 19 oktober 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Nijmegen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2001 heeft de burgemeester van Nijmegen (hierna: de burgemeester) de door appellant geëxploiteerde [bedrijf] aan de [locatie] op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor de periode van 14 mei 2001 tot en met 13 mei 2002.

Bij besluit van 20 augustus 2001 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 oktober 2001, verzonden op 4 december 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de president) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 april 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

Bij brief van 6 september 2002 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2002. Partijen zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet kan de burgemeester bestuursdwang toepassen, indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel, als bedoeld in artikel 2 of 3 van die wet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

2.2. In de "Beleidsregels met gedoogvoorwaarden ten aanzien van coffeeshops 1996", in 1999 aangepast naar aanleiding van de invoering van artikel 13b van de Opiumwet, is onder vaststelling dat coffeeshops handelen in strijd met de Opiumwet onder meer bepaald dat door de burgemeester in principe geen bestuurlijke maatregelen worden genomen indien coffeeshops de zogenoemde AHOJ-G criteria strikt naleven. Deze criteria houden – voorzover thans van belang – in dat zij geen transacties boven de vijf gram mogen uitvoeren en niet over meer dan vijfhonderd gram handelsvoorraad mogen beschikken (G).

2.3. Het betoog van appellant leidt niet tot de conclusie dat de president de burgemeester ten onrechte bevoegd heeft geacht toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet. Anders dan appellant aanvoert, is hetgeen de president heeft overwogen met betrekking tot de levering van drugs in een boven de coffeeshop gelegen ruimte naar het oordeel van de Afdeling juist. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 30 juli 1996 in zaak no. R03.93.4675, AB 1996, 471, heeft de president terecht geoordeeld dat niet staande kan worden gehouden dat appellant als exploitant van de coffeeshop niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de desbetreffende overtredingen, waarbij in het midden kan worden gelaten of hij persoonlijk wel of niet feitelijk betrokken is geweest bij de drugstransacties.

2.4. Het betoog van appellant dat bij sluiting van een coffeeshop voor de duur van twaalf maanden sprake is van een zwaarwegende inbreuk op zijn eigendomsrecht, zodat zware eisen dienen te worden gesteld aan het bewijs, slaagt niet. Daargelaten of de gedoogsituatie onder dit recht kan worden begrepen, moet worden geoordeeld dat een uit het besluit van de burgemeester voortvloeiende beperking van het recht op ongestoord genot van zijn zaak wordt gerechtvaardigd door het belang van handhaving van de openbare orde.

2.5. De president heeft met juistheid overwogen dat het politierapport en de geanonimiseerde verklaringen van bezoekers van de coffeeshop voldoende aanleiding hebben kunnen vormen om tot toepassing van bestuursdwang over te gaan. Bovendien heeft de president terecht overwogen dat het hier geen procedure betreft waarbij strafrechtelijke bewijsregels gelden en voorts dat in het kader van deze bestuursrechtelijke procedure kan worden uitgegaan van het feitencomplex dat naar voren is gekomen uit de evenbedoelde verklaringen en het politierapport. Er is dan ook geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals appellant heeft betoogd.

2.6. Tot slot betoogt appellant tevergeefs dat de president ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting voor de duur van een jaar niet willekeurig, niet disproportioneel en niet onredelijk is te achten. Uit de stukken blijkt dat appellant bij brief van 12 februari 2000 is gewaarschuwd voor sluiting van zijn coffeeshop voor kortere of langere tijd, naar aanleiding van een douanecontrole, waarbij een uit Duitsland afkomstige man verklaarde 1400 gram softdrugs in de coffeeshop van appellant te hebben gekocht. Uit de stukken blijkt voorts dat gedurende een korte onderzoeksperiode van douane en politie vele verdachten zijn aangehouden die in de coffeeshop van appellant zeer grote hoeveelheden sofdrugs hadden gekocht.

2.7. Gelet hierop en bezien in het licht van het in de beleidsregels neergelegde criterium van vijf gram per verkooptransactie, deelt de Afdeling het oordeel van de president dat een sluiting van de coffeeshop voor de duur van één jaar niet willekeurig, disproportioneel of onredelijk is te achten. Voorts heeft de president terecht geoordeeld dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is nu, niet is gebleken dat de burgemeester in gelijke gevallen als het onderhavige een kortere sluitingstermijn heeft gehanteerd.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

91-421.