Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200201542/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201542/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 26 februari 2002 in het geding tussen:

[appellant sub 2], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2000 hebben appellanten sub 1 (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] voor het jaar 2001 ontheffing verleend voor het houden van een kampeerterrein op het perceel [locatie].

Bij besluit van 13 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant sub 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 25 april 2001, waarnaar in het besluit is verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het ziet op de toepassing van het bepaalde in artikel 8, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2002, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2002, hoger beroep ingesteld. Burgemeester en wethouders hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 25 april 2002. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 3 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

[appellant sub 2] heeft bij brief van 5 juni 2002 van antwoord gediend en burgemeester en wethouders bij brief van 10 juni 2002.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.J. van den Berge, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling of ontheffing van het verbod, bedoeld in het eerste lid, verlenen voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

Ingevolge het derde lid kunnen zij, in afwijking daarvan, voor door hen per kalenderjaar vast te stellen korte perioden, het aantal toe te laten kampeermiddelen verhogen tot ten hoogste vijftien.

2.2. Het hoger beroep van burgemeester en wethouders richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de door hen gegeven invulling van de perioden, waarin ingevolge het derde lid van artikel 8 van de Wor het aantal toegestane kampeermiddelen tot vijftien mag worden verhoogd, niet heeft aanvaard. Hetgeen zij hiertoe hebben aangevoerd, slaagt niet. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de betekenis van de term “korte perioden", zoals die valt af te leiden uit artikel 8 van de Wor, gelezen in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen, de door burgemeester en wethouders vastgestelde periode, waarvan de totale duur neerkomt op bijna negentig dagen, in redelijkheid niet als “kort” kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat dit onderdeel van het bestreden besluit in strijd is met artikel 8, derde lid, van de Wor. Hetgeen burgemeester en wethouders hebben aangevoerd met betrekking tot de mogelijke wijziging van dit artikellid doet daar niet aan af.

2.2.1. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van burgemeester en wethouders ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

2.3. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen dat deel van de aangevallen uitspraak, waarbij zijn beroep ongegrond is verklaard. Hij klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders niet mochten voorbijgaan aan de in hoofdstuk 4.3 van het door de gemeenteraad op 20 juni 2000 vastgestelde en op 3 juli 2000 in werking getreden Toetsingskader Kleinschalig kamperen (hierna: het Toetsingskader) neergelegde eis dat de afstand tussen de kampeermiddelen en de woningen minimaal 50 meter moet bedragen. Dit betoog treft doel. Ten aanzien van bestaande gevallen is immers in hoofdstuk 5 van het Toetsingskader uitdrukkelijk bepaald dat ook in deze situaties in redelijkheid zal worden geëist, dat voldaan wordt aan de criteria met betrekking tot de inrichting en het gebruik, zoals in hoofdstuk 4 neergelegd. Burgemeester en wethouders hadden dan ook bij het bestreden besluit niet mogen volstaan met de constatering dat de gestelde eis van 50 meter niet hoeft te worden nagekomen, maar met medeweging van de relevante belangen van beide partijen, overeenkomstig die beleidsregel moeten vaststellen welke minimale afstandsmaat tussen de woning van [appellant sub 2] en de kampeermiddelen in redelijkheid wél moet worden geëist. Nu burgemeester en wethouders dit bij hun beslissing op het bezwaar hebben nagelaten, is het besluit in zoverre niet op zorgvuldige wijze voorbereid en moet het om die reden worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. [appellant sub 2] heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de door burgemeester en wethouders gehanteerde telmethode, waarbij in bepaalde gevallen 4,5 slaapplaats als één eenheid en mitsdien als één kampeermiddel wordt geteld, heeft aanvaard. Deze grond slaagt eveneens. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat met deze telwijze geen redelijke uitleg is gegeven aan de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wor gegeven omschrijving van het begrip kampeermiddel. Het bestreden besluit is derhalve met voormelde bepaling van de Wor in strijd en dient ook op dat punt te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Ten aanzien van het verzoek van [appellant sub 2] om de gemeente Schouwen- Duiveland te veroordelen tot vergoeding van de door zijn gezin reeds geleden en nog te verwachten schade overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten dat nog niet vaststaat of sprake is van schade, die voor vergoeding in aanmerking zou komen, laat de Afdeling dit verzoek thans buiten beschouwing. Aangezien burgemeester en wethouders met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene opnieuw op het bezwaar moeten beslissen, zal [appellant sub 2] zijn verzoek om schadevergoeding in dat kader aan burgemeester en wethouders ter beoordeling kunnen voorleggen.

2.6. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond is. De aangevallen uitspraak dient, voor zover zijn beroep ongegrond is verklaard, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ook voor het overige gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar, voor zover deze door de rechtbank in stand is gelaten, alsnog vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wor.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 26 februari 2002, in zaaknr. Awb 01/436, voor zover het beroep van [appellant sub 2] ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank door [appellant sub 2] ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland van 13 juni 2001 voor zover het door de rechtbank in stand is gelaten;

V. draagt burgemeester en wethouders op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. gelast dat de gemeente Schouwen-Duiveland aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 165) vergoedt.

VII. verklaart het hoger beroep van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland ongegrond;

VIII. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover het besluit van

13 juni 2001 is vernietigd;

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

91-367.