Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200202315/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202315/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 14 maart 2002 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Losser.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders van Losser (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellante vergunning te verlenen voor het vergroten van een woonhuis op het perceel [locatie].

Bij besluit van 16 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwaar- en beroepschriftencommissie van 16 mei 2001, in afwijking waarvan burgemeester en wethouders het besluit hebben genomen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 14 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 23 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2002, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door F.H. Lamers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat burgemeester en wethouders bij hun besluit van 16 oktober 2001, in strijd met artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, ten onrechte volledig voorbij zijn gegaan aan het advies van de bezwaar- en beroepschriftencommissie en zich ten onrechte hebben gebaseerd op het advies van een door hen geraadpleegde advocaat.

2.2. Dit betoog faalt. Gelet op het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan bij de beslissing op bezwaarschrift worden afgeweken van het advies van een adviescommissie als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, mits in de beslissing de reden voor die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden. Burgemeester en wethouders zijn afgeweken van het door de bezwaar- en beroepschriftencommissie op 16 mei 2001 uitgebrachte advies. Hierbij hebben zij voldaan aan de in artikel 7:13, zevende lid, vervatte eisen. Niet valt in te zien dat burgemeester en wethouders zich in dit verband niet mochten laten adviseren door een advocaat.

2.3. Appellante beoogt met het bouwplan het pand waarin haar oom woont zodanig te verbouwen dat dit ook door haar en haar echtgenote kan worden bewoond. Ten behoeve hiervan wil zij de zich achter het woongedeelte van de voormalige boerderij bevindende deel verbouwen tot woning.

2.4. Op het perceel waarop het betrokken pand staat rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “agrarisch bouwblok”.

Ingevolge artikel 3, lid B, aanhef en sub 5, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning wordt opgericht met een inhoud inclusief uitbouw(en) van ten hoogste 600 m³ dan wel, indien een grotere woning aanwezig is, de inhoud zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan.

Ingevolge artikel 3, lid C, aanhef en sub 3a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de hiervoor weergegeven bepaling ten behoeve van de huisvesting van twee huishoudens met dien verstande dat de gezamenlijke inhoud van de dienstwoning inclusief de uitbouw(en) in samenhang daarmee, mag worden vergroot tot ten hoogste 700 m³ dan wel, indien een grotere woning aanwezig is, binnen de inhoud blijft zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan.

Ingevolge artikel 3, lid F, sub 1, voorzover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de bestemming “agrarisch bouwblok” te wijzigen in “woondoeleinden”.

2.5. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de deel niet sinds 26 maart 1992, zijnde de datum van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan ”Buitengebied”, tot de woning moest worden gerekend. Zij stelt dat de inhoud van de woning op dat moment derhalve groter was dan 600 m³ en dat burgemeester en wethouders ten behoeve van het bouwplan vrijstelling op grond van artikel 3, lid C, aanhef en sub 3a hadden kunnen verlenen, dan wel het bestemmingsplan op grond van artikel 3, lid F, sub 1, hadden kunnen wijzigen.

2.6. Uit de stukken is gebleken dat in 1998 het ter plaatse gevestigde bedrijf van de oom van appellante is beëindigd, zodat geen sprake (meer) is van een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 3, lid B, sub 5, van de planvoorschriften.

Voorts is uit de stukken gebleken dat het woongedeelte van het pand een inhoud heeft van 452 m³, zodat de door appellante beoogde uitbreiding gelet op artikel 3, lid C, sub 3a, niet tot gevolg mag hebben dat de woning een inhoud zal krijgen van meer dan 700 m³. Het door appellante ingediende bouwplan heeft betrekking op een woning met een inhoud van 1.253 m³. Uit de overgelegde verklaring van [partij] van 23 augustus 2000 en uit de milieuverklaring van GIBO Accountants en Adviseurs van dezelfde datum is genoegzaam gebleken dat de deel sinds de peildatum niet meer wordt gebruikt voor het stallen van koeien. Hieruit volgt evenwel niet dat de deel vanaf dat moment tot de woning is gaan behoren. Dat in de deel goederen worden opgeslagen en een fornuis staat doet daaraan niet af. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de deel op de peildatum niet tot de woning behoorde. Derhalve had de woning op deze datum slechts een inhoud van minder dan 600 m³, welke inhoud niet verder mag worden uitgebreid dan tot 700 m³.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het bouwplan derhalve in strijd is met het bestemmingsplan, zodat artikel 44, onder c, van de Woningwet aan vergunningverlening in de weg staat. Het betoog van appellante faalt.

2.7. Voorzover appellante betoogt dat aan haar bouwplan medewerking had moeten worden verleend door vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen, overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat burgemeester en wethouders geen vrijstelling op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening konden verlenen, omdat de tijdelijkheid van de uitbreiding niet gewaarborgd is. Voorts heeft de rechtbank kunnen oordelen dat burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen plaats was, omdat hun beleid erop is gericht verstening van het buitengebied tegen te gaan.

2.8. Voorzover appellante voorts stelt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte geen gebruik hebben gemaakt van de in artikel 3, lid F, van de planvoorschriften, in samenhang met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening neergelegde bevoegdheid het bestemmingsplan te wijzigen, in die zin dat de op het betrokken perceel rustende bestemming “Agrarisch bouwblok” wordt gewijzigd in “woondoeleinden”, wijst de Afdeling er allereerst op dat appellante bij de aanvraag om bouwvergunning niet heeft verzocht om toepassing van deze bevoegdheid. De bouwaanvraag kan daarnaast, gelet op de inhoud en de bewoordingen ervan, niet als een daartoe strekkend verzoek worden aangemerkt.

2.9. Voorzover appellante een beroep doet op het vertrouwensbeginsel door te verwijzen naar door burgemeester en wethouders gedane toezeggingen, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de zijde van burgemeester en wethouders de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat aan haar een bouwvergunning zou worden verleend. Het wekken van een dergelijke verwachting kan overigens niet leiden tot het verlenen van een bouwvergunning in strijd met de wet.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

164.