Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
200203241/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 158 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2002/3737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203241/1.

Datum uitspraak: 11 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. burgemeester en wethouders van Castricum,

2. de besloten vennootschap [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 13 mei 2002 in het geding tussen:

appellante sub 2

en

appellanten sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2001 hebben appellanten sub 1 (hierna: burgemeester en wethouders), naar aanleiding van een op 14 maart 2001 ingekomen verzoek van appellante sub 2, geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van hekwerken op het perceel tegenover de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 september 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [appellante sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 mei 2002, verzonden op 15 mei 2002, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante sub 2] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 12 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2002, en [appellante sub 2] per faxbericht, ingekomen bij de Raad van State op 25 juni 2002, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 7 augustus 2002. Bij brieven van onderscheidelijk 9 september 2002 en 22 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders en [appellante sub 2] ieder een memorie van antwoord ingediend. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A. Kuipers-IJmker en J.W.C.M. van Westing, ambtenaren van de gemeente, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.A. van Hapert, advocaat te Amsterdam en gemachtigde zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een rondom het perceel te plaatsen hekwerk, bestaande uit 1.40 meter hoge palen met daartussen planken en schrikdraad (hierna: de omheining).

2.2. De Afdeling stelt vast dat op het perceel de bestemming ”Agrarisch gebied met landschappelijke waarden” rust. Het betoog van burgemeester en wethouders dat de rechtbank heeft miskend dat ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” het perceel de bestemming ”Agrarisch gebied met landschappelijke waarden” heeft, en niet de bestemming “Paardenfokkerij, -houderij, met bijbehorende erven –Aa(p)-“, slaagt derhalve.

2.3. Gronden met de bestemming ”Agrarisch gebied met landschappelijke waarden” zijn ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften bestemd voor bedrijfsvoering ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven alsmede voor het behoud van, voorzover hier van belang, de ruimtelijke openheid. Ingevolge lid B I van dat artikel mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van genoemde bestemmingen worden gebouwd, met dien verstande, dat:

a. de gebouwen en andere bouwwerken uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken mogen worden gebouwd;

(…)

k. terreinafscheidingen tot een hoogte van niet meer dan 1.20 m uitgezonderd zijn van het sub a bepaalde;

(…).

2.4. De Afdeling stelt vast dat het perceel niet is voorzien van een bebouwingsvlak. Het bouwplan overschrijdt de maximaal toegestane hoogte voor terreinafscheidingen ten dienste van de ter plaatse geldende bestemming en is in strijd met het bestemmingsplan, hetgeen ook niet wordt betwist.

Bij gebreke aan een bebouwingsvlak betoogt [appellante sub 2] tevergeefs dat van de in artikel 3, lid B II, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsmogelijkheden voor het wijzigen en vergroten van een bebouwingsvlak, gebruik kon worden gemaakt.

2.5. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dat artikel luidt sinds 3 april 2000, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m2 en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

Burgemeester en wethouders hebben zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet past in het gemeentelijk beleid de ruimtelijke openheid van het gebied te behouden. Ter zitting hebben zij dat nader onderbouwd door onder meer te verwijzen naar de toelichting van het geldende bestemmingsplan. Vanwege de recente datum van het bestemmingsplan en gelet op het feit dat zij met betrekking tot dit plan een strikt en actief handhavingsbeleid voeren, hebben burgemeester en wethouders geen aanleiding gezien om voor het bouwplan gebruik te maken van de hun toekomende vrijstellingsbevoegdheid.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op dat standpunt hebben kunnen stellen.

2.6. Het beroep van [appellante sub 2] op het gelijkheidsbeginsel kan voorts niet slagen. De door [appellante sub 2] genoemde situatie aan de [locatie 1] is, gezien de bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders de daar geplaatste omheining hebben toegestaan, niet op één lijn te stellen met die van het bouwplan. Ten aanzien van de omheiningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] is de Afdeling gebleken dat zij vallen onder het overgangsrecht en derhalve eveneens niet met het bouwplan vergelijkbaar zijn. Voorzover aan de [locatie 3] recent een omheining van 1.50 meter hoogte is geplaatst hebben burgemeester en wethouders ter zitting verklaard dat daarvoor geen vrijstelling en vergunning is verleend en dat daartegen handhavend zal worden opgetreden, zoals in de omgeving regelmatig is gebeurd. Deze situatie geeft derhalve eveneens geen aanleiding voor het oordeel dat burgemeester en wethouders voor het bouwplan vrijstelling hadden moeten verlenen.

2.7. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat burgemeester en wethouders de gevraagde vergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, hebben geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.8. Het hoger beroep van burgemeester en wethouders is gegrond en van [appellante sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002

292.