Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200005053/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003/93 met annotatie van H.F.M.W. van Rijswick
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200005053/2.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Geen Uitbreiding Stort", gevestigd te Bunschoten, en anderen,

en

dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Vallei en Eem,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2000, kenmerk 1999/5856, hebben verweerders krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] voor een periode van tien jaar een vergunning verleend voor het lozen op het oppervlaktewater van afvalwater afkomstig van haar inrichting voor het storten en be- en verwerken van afval op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 14 september 2000 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2000, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 december 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.H. van Beest, ing. E.A. Wondergem en ing. F.A.N. van Baardwijk, allen ambtenaar van het waterschap, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde].

In het verhandelde ter zitting heeft de Afdeling aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te schorsen. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening benoemd tot deskundige teneinde nader onderzoek te verrichten. Deze heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 juli 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 24 september 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. B.J. Meruma, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.H. van Beest, ing. E.A. Wondergem en ing. F.A.N. van Baardwijk, allen ambtenaar van het waterschap, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft in de eerste plaats betrekking op het op indirecte wijze – via het rioolstelsel van de gemeente Amersfoort en de rioolwaterzuiveringsinstallatie Amersfoort - lozen op de Eem van bedrijfsafvalwater, bronneringswater, huishoudelijk afvalwater en verontreinigd hemelwater. Een gedeelte van deze waterstromen wordt eerst in de in de inrichting aanwezige waterzuiveringsinstallatie, een membraan bioreactor (hierna te noemen: MBR), gezuiverd. Daarnaast ziet de vergunning op het op directe wijze lozen op het oppervlaktewater van verontreinigd hemelwater en bronneringswater. Deze lozingen vinden plaats op de Calveense Wetering en de Laak.

Blijkens de stukken is de vergunning aangevraagd in verband met de realisering van een aantal uitbreidingen binnen de inrichting van vergunninghoudster. Voor die uitbreidingen hebben gedeputeerde staten van Utrecht (hierna te noemen: gedeputeerde staten) bij afzonderlijke besluiten van 30 augustus 2000 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: de revisievergunning) alsmede een vergunning krachtens de Grondwaterwet verleend.

2.3. Appellanten kunnen zich er niet mee verenigen dat verweerders aan de vergunning geen afzonderlijke voorschriften met betrekking tot het zogeheten run-off afvalwater van de afvaltaluds – hemelwater dat van het gestorte afval afstroomt – aan de vergunning hebben verbonden. Appellanten vrezen dat er in het geval van extreme regenval onvoldoende voorzieningen aanwezig zijn om dit run-off afvalwater op te vangen, waardoor het gevaar bestaat dat dit ongereinigd in het oppervlaktewater terechtkomt.

2.3.1. Verweerders hebben naar voren gebracht dat zij in de vergunning het run-off afvalwater van de afvaltaluds niet als een aparte afvalwaterstroom hebben benoemd, omdat deze waterstroom moet worden beschouwd als percolatiewater. Blijkens de van de vergunning deel uitmakende aanvraag wordt, aldus verweerders, dit water opgevangen en na zuivering in de MBR geloosd op de gemeentelijke riolering. Het beschermingsniveau dat hierdoor wordt geboden, is naar de mening van verweerders toereikend. Daarbij hebben zij er in het bijzonder op gewezen dat in de aanvraag bij het bepalen van de omvang van de hoeveelheid te verwerken percolatiewater rekening is gehouden met perioden van extreme regenval en dat de MBR is gedimensioneerd op het verwerken van deze hoeveelheid.

2.3.2. Blijkens de stukken infiltreert het hemelwater dat op de afvaltaluds terechtkomt voor een deel rechtstreeks in de stort, waarna het in het percolatiewateropvangsysteem dat is aangelegd onder de stort zal worden opgevangen en afgevoerd naar de MBR. Een deel van het hemelwater zal, vooral in perioden van extreme regenval, van de taluds afstromen en zich onderaan de taluds verzamelen. Dit run-off afvalwater wordt, aldus het bij de aanvraag behorende “Inrichtingsplan Afvalberging”, opgevangen aan de onderzijde van de stortkade en samen met het percolatiewater dat wordt verzameld onder de stort naar de MBR afgevoerd. Omdat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, is vergunninghoudster tot het opvangen en afvoeren van dit run-off afvalwater verplicht. Gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling het voldoende aannemelijk dat vergunninghoudster aan deze eis kan voldoen. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het niet nodig is om aan de vergunning nadere voorschriften te verbinden met betrekking tot de wijze waarop vergunninghoudster aan deze eis invulling dient te geven. De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde op de beide zittingen geen grond voor het oordeel dat zij zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. De onderhavige beroepsgronden slagen in zoverre niet.

2.3.3. Voorzover appellanten met deze beroepsgronden hebben willen betogen dat de in voorschrift 2.1, onder 1.1, gestelde maxima aan de hoeveelheid percolatiewater die respectievelijk per uur, etmaal en jaar mag worden geloosd, te laag zijn dan wel dat de MBR deze maxima niet kan verwerken, overweegt de Afdeling het volgende.

De hoeveelheid percolatiewater die ingevolge voorschrift 2.1, onder 1.1, via de MBR op de gemeentelijke riolering mag worden geloosd, bedraagt maximaal 15 m3/uur, 360 m3/etmaal en 70.080 m3/jaar. Deze hoeveelheden zijn berekend aan de hand van gegevens over de hoeveelheid neerslag die maximaal per uur en gemiddeld per jaar kan worden verwacht. Aanknopingspunten om aan de deugdelijkheid van die berekeningen en de daarbij gehanteerde uitgangspunten te twijfelen, ziet de Afdeling in de stukken en het verhandelde op de beide zittingen niet. Uit het deskundigenbericht kan worden geconcludeerd dat de in de inrichting aanwezige MBR op een zodanige wijze is gedimensioneerd, dat de in voorschrift 2.1, onder 1.1, gestelde maxima daarin kunnen worden verwerkt. Ook in dit opzicht slagen de onderhavige beroepsgronden derhalve niet.

2.4. Appellanten hebben diverse beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de riooloverstorten die vanuit het rioolstelsel in de inrichting plaatsvinden. Volgens hen is het in de inrichting aanwezige bergbezinkriool geen toereikende voorziening om te voorkomen dan wel voldoende te beperken dat bij die overstorten verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater geraken. Verder zijn appellanten van mening dat verweerders met betrekking tot deze overstorten voor méér stoffen dan zij thans hebben gedaan grenswaarden in de vergunning hadden moeten opnemen. Voorzover wordt geoordeeld dat het bergbezinkriool wel een toereikende voorziening is, hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat verweerders hiervoor in de vergunning ten onrechte geen onderhoudseisen hebben voorgeschreven.

2.4.1. In voorschrift 1 is omschreven uit welke waterstromen het te lozen afvalwater uitsluitend mag bestaan en via welke meet- en lozingspunten deze stromen moeten worden geloosd. In de onderdelen 1.8 en 1.9.1 worden als waterstromen genoemd percolaat afkomstig van de opslag van secundaire grondstoffen, respectievelijk verontreinigd hemelwater afkomstig van het westelijk terreindeel. Deze waterstromen mogen zowel op de gemeentelijke riolering als, via de overstort, rechtstreeks op het oppervlaktewater worden geloosd.

Voorschrift 2.8 bevat grenswaarden voor de lozingen die plaatsvinden via de overstort. Ingevolge dit voorschrift mag, kort gezegd, ter hoogte van het lozingspunt de concentratie in enig steekmonster van het afvalwater voorzover het betreft minerale olie niet meer dan 5 mg/l en voorzover het betreft onopgeloste bestanddelen niet meer dan 30 mg/l bedragen.

2.4.2. Blijkens de stukken worden de onder 1.8 en 1.9.1 van voorschrift 1 genoemde waterstromen via de bedrijfsriolering afgevoerd naar de gemeentelijke riolering. Omdat in perioden van extreme regenval de afvoercapaciteit daarvan tekortschiet, is de bedrijfsriolering voorzien van een zogeheten bergbezinkriool, met een overstort naar het oppervlaktewater. Via deze overstort wordt rechtstreeks op de Calveense Wetering geloosd. Het bergbezinkriool is zodanig gedimensioneerd, dat een overstort maximaal veertien keer per jaar kan plaatsvinden.

2.4.3. Uit het bestreden besluit komt naar voren dat verweerders op basis van de Vierde Nota Waterhuishouding bij het reguleren van lozingen op het oppervlaktewater als uitgangspunt hanteren dat de verontreiniging, ongeacht de stofsoort die wordt geloosd, zoveel mogelijk moet worden beperkt. Daarbij geldt voor de zogenoemde zwarte-lijststoffen, waaronder, voorzover hier van belang, moet worden verstaan de stoffen als bedoeld in lijst I van de Bijlage bij de Richtlijn van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976, 76/464/EEG, betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, dat de verontreiniging door deze stoffen in beginsel moet worden beëindigd. Sanering aan de bron dient te geschieden door toepassing van de best bestaande technieken. Indien na toepassing van deze technieken de restlozing tot onaanvaardbare concentraties in het oppervlaktewater leidt, dan zijn verdergaande maatregelen nodig.

Voor de stoffen, die qua eigenschappen relatief schadelijk zijn, is een saneringsinspanning vereist door toepassing van de best uitvoerbare technieken. Indien na toepassing van deze technieken de restlozing ertoe leidt dat niet wordt voldaan aan de gestelde waterkwaliteitsdoelstellingen voor het oppervlaktewater, kunnen verdergaande maatregelen worden geëist.

Voor de stoffen, die qua eigenschappen relatief onschadelijk zijn, is alleen een saneringsinspanning vereist, wanneer aan de gestelde waterkwaliteitsdoelstellingen voor het oppervlaktewater niet wordt voldaan.

2.4.4. In bijlage 13 bij de aanvraag is op basis van een worst-case benadering een inschatting gemaakt van de stoffen die de onder 1.8 en 1.9.1 van voorschrift 1 genoemde waterstromen kunnen bevatten. Vaststaat dat tot deze stoffen onder meer een aantal zwarte-lijststoffen behoort. Gelet op het door verweerders gehanteerde beoordelingskader betekent dit dat teneinde de lozing van deze stoffen te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken, de best bestaande technieken dienen te worden toegepast. Niet in geschil is, en ook de Afdeling gaat daar op basis van het deskundigenbericht vanuit, dat het in de inrichting aanwezige bergbezinkriool moet worden aangemerkt als de best uitvoerbare techniek. Door zich op het standpunt te stellen dat met deze voorziening kan worden volstaan, zijn verweerders derhalve afgeweken van hun beoordelingskader.

Hiervoor hebben zij op de zitting van 24 september 2002 als motivering gegeven dat zij zich, voorzover het betreft deze afwijking, hebben gebaseerd op aanbevelingen die de Commissie Integraal Waterbeheer heeft gedaan met betrekking tot het beoordelen van riooloverstorten. Blijkens bijlage 1 bij de reactie van verweerders op het deskundigenbericht van 11 september 2002 zien deze aanbevelingen op de lozingen van zwarte-lijststoffen en relatief schadelijke stoffen die resteren na toepassing van de best bestaande respectievelijk de best uitvoerbare techniek, alsmede op de lozingen van relatief onschadelijke stoffen. Deze aanbevelingen vormen daarom geen deugdelijke motivering voor het standpunt van verweerders dat in dit geval, waar het gaat om zwarte-lijststoffen, met een voorziening die als best uitvoerbare techniek is aan te merken - het bergbezinkriool - kan worden volstaan. Nu verweerders dit standpunt ten grondslag hebben gelegd aan hun beslissing om in voorschrift 1, onder 1.8 en 1.9.1, toe te staan dat de desbetreffende waterstromen rechtstreeks op het oppervlaktewater mogen worden geloosd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre een deugdelijke motivering ontbeert. Het besluit is in dit opzicht in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond van appellanten dat ten onrechte geen onderhoudseisen zijn voorgeschreven met betrekking tot het bergbezinkriool behoeft onder deze omstandigheden geen bespreking meer.

2.4.5. Ten aanzien van de in voorschrift 2.8 gestelde grenswaarden begrijpt de Afdeling het standpunt van verweerders op basis van de stukken en het verhandelde op de beide zittingen aldus, dat zij van mening zijn dat door de gestelde grenswaarde voor onopgeloste bestanddelen indirect ook de verontreinigende stoffen die aanwezig kunnen zijn in de waterstromen die via de overstort mogen worden geloosd voldoende zijn gelimiteerd. De Afdeling acht dit standpunt echter niet deugdelijk gemotiveerd, nu uit bijlage 13 bij de aanvraag blijkt dat de verontreiniging van deze waterstromen niet uitsluitend wordt veroorzaakt door de onopgeloste, maar ook door de opgeloste bestanddelen en verweerders daarnaast onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt hoe de gestelde grenswaarde voor onopgeloste bestanddelen zich verhoudt tot de concentraties van de verontreinigende stoffen die zich in die bestanddelen kunnen bevinden. Voorzover het betreft voorschrift 2.8 is het bestreden besluit daarom eveneens in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Appellanten kunnen zich niet verenigen met voorschrift 2.6. Dit voorschrift heeft betrekking op het lozen van bronneringswater afkomstig van de grondwateronttrekking onder de voormalige stortplaats de Lindeboom. Appellanten achten dit voorschrift ontoereikend voorzover het betreft de hoogte van de grenswaarden die verweerders daarin voor BTEX en PAK’s hebben gesteld. Verder zijn appellanten van mening dat verweerders in dit voorschrift voor méér stoffen dan zij thans hebben gedaan grenswaarden hadden moeten opnemen. Blijkens de stukken doelen appellanten in dit kader in het bijzonder op zware metalen, minerale olie, EOX en fenolen. Ter motivering van hun standpunt hebben appellanten naar voren gebracht dat inmiddels is komen vast te staan dat de bodemverontreiniging ter plaatse ernstiger is, dan aanvankelijk is verondersteld.

2.5.1. Blijkens de stukken is de Lindeboom een voormalige stortplaats, waarvan de bodem is verontreinigd. Dit terrein maakt thans deel uit van de inrichting van vergunninghoudster, maar heeft voorheen niet daartoe behoord. Op basis van de voor de inrichting verleende revisievergunning mag het terrein eerst nadat het is gesaneerd feitelijk in gebruik worden genomen. Het bronneringswater waarop voorschrift 2.6 betrekking heeft, is het water dat vrijkomt bij de grondwateronttrekking die, als beheersmaatregel, naar verwachting in het kader van de sanering van de Lindeboom noodzakelijk zal zijn.

2.5.2. Vastgesteld moet worden dat in voorschrift 1, onder 1.3, niet is voorgeschreven of de lozing van het bronneringswater van de Lindeboom dient plaats te vinden op de gemeentelijke riolering dan wel rechtstreeks op het oppervlaktewater.

Verweerders hebben naar voren gebracht dat zij hebben beoogd in dit onderdeel van voorschrift 1 voor te schrijven dat het bronneringswater van de Lindeboom op de gemeentelijke riolering moet worden geloosd. Dit is echter, aldus verweerders, per abuis niet gebeurd.

Op basis van het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover in voorschrift 1, onder 1.3, niet is voorgeschreven dat het bronneringswater van de Lindeboom op de gemeentelijke riolering moet worden geloosd, zich niet verdraagt met het algemeen rechtsbeginsel dat eist dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.5.3. Ingevolge voorschrift 2.6 mag, kort gezegd, het gehalte aan BTEX en PAK’s in het afvalwater gemeten ter plaatse van meetpunt 10 – dit is het bronneringswater van de Lindeboom - de in de tabel genoemde waarden niet overschrijden. In die tabel is voor zowel BTEX als PAK’s als eis voor de gemiddelde concentratie 0,05 mg/l en als eis voor de concentratie in enig steekmonster 0,01 mg/l voorgeschreven.

Verweerders hebben naar voren gebracht dat zij hebben beoogd voor beide stofgroepen als eis voor de concentratie in enig steekmonster 0,1 mg/l in plaats van 0,01 mg/l voor te schrijven. Nu zij dit niet hebben gedaan, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit zich ook in dit opzicht niet verdraagt met het algemeen rechtsbeginsel dat eist dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.5.4. Bij het bepalen van de stoffen waarvoor ten aanzien van het bronneringswater van de Lindeboom grenswaarden dienen te worden opgenomen, zijn verweerders bij het bestreden besluit afgegaan op de gegevens die het milieu-effectrapport (hierna te noemen: het MER), dat met het oog op de ingediende aanvragen om vergunning is opgesteld, over de samenstelling van het grondwater onder de Lindeboom bevat. Vaststaat dat gedeputeerde staten bij besluit van 14 december 1999 hebben besloten dat aanvullend onderzoek dient te worden verricht naar de bodemverontreiniging ter plaatse van de Lindeboom en dat dit onderzoek ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet was afgerond. Alhoewel dit onderzoek, gelet op het dictum van het besluit van 14 december 1999, mede tot doel had om de aard van de verontreiniging nader te onderzoeken, was het, zo blijkt uit de overwegingen van het besluit, primair erop gericht om onzekerheden weg te nemen over de mate waarin de verontreiniging zich naar het diepere grondwater heeft verspreid. Gelet hierop ziet de Afdeling in de omstandigheid dat gedeputeerde staten ten tijde van het nemen van het bestreden besluit tot het verrichten van dit onderzoek hadden besloten geen grond voor het oordeel dat verweerders hierin aanleiding hadden moeten zien om de juistheid in twijfel te trekken van de gegevens in het MER over de aard van de stoffen waarmee het grondwater ter plaatse is verontreinigd. De stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde op de beide zittingen bieden evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders op andere gronden hiertoe aanleiding hadden moeten zien. De Afdeling merkt daarbij op dat in het uit augustus 2001 daterende rapport van het aanvullend onderzoek, dat door Oranjewoud B.V. is verricht, de gegevens in het MER over de aard van de verontreiniging zijn bevestigd.

Uitgaande van die gegevens, is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het niet nodig is om voor de lozing van bronneringswater van de Lindeboom in voorschrift 2.6 voor méér stoffen grenswaarden te stellen dan zij thans hebben gedaan. In zoverre slagen de onderhavige beroepsgronden van appellanten derhalve niet.

2.6. Appellanten kunnen zich er niet mee verenigen dat het krachtens de vergunning is toegestaan om het bronneringswater dat afkomstig is van de grondwateronttrekking die plaatsvindt op de onderdelen van de in de inrichting aanwezige stortplaats die worden omschreven als de terreingedeelten II en III, de tussenstrook en de oostelijke uitbreiding, ongereinigd op de Laak te lozen. In dat kader hebben zij het standpunt van verweerders dat met het verwijderen van zink uit dit bronneringswater zodanig hoge kosten zijn gemoeid, dat dit redelijkerwijs van vergunninghoudster niet kan worden gevergd, betwist. Voorzover wordt geoordeeld dat tegen het ongereinigd lozen van dit bronneringswater geen bezwaar bestaat, hebben appellanten betoogd dat verweerders voor deze lozing voor méér stoffen dan zij thans in de voorschriften 2.10 en 2.11 hebben gedaan grenswaarden in de vergunning hadden moeten opnemen. Tot slot hebben appellanten in dit verband naar voren gebracht dat thans reeds voorzienbaar is dat de in voorschrift 2.1, onder 1.7, gestelde maxima aan de hoeveelheid afvalwater die deze lozing respectievelijk per uur, etmaal en jaar mag bedragen, zullen worden overschreden.

2.6.1. Ingevolge voorschrift 1, onder 1.7, dient, kort gezegd, het bronneringswater afkomstig van de grondwateronttrekking binnen de damwand rondom de hiervoor genoemde terreingedeelten van de stortplaats rechtstreeks op het oppervlaktewater te worden geloosd. Deze lozing dient plaats te vinden via lozingspunt 8, dat is gelegen bij de Laak.

Ingevolge voorschrift 2.1, onder 1.7, mag het te lozen afvalwater, zoals genoemd onder 1.7 van voorschrift 1, niet meer bedragen dan 10,5 m3/uur, 252 m3/etmaal en 36.000 m3/jaar.

Ingevolge voorschrift 2.10, voorzover hier van belang, mag in het afvalwater, gemeten ter plaatse van lozingspunt 8, het gehalte aan zink, koper, nikkel en ijzer de in dat voorschrift voor die stoffen nader omschreven waarden niet overschrijden.

Ingevolge voorschrift 2.11 dient de zuurgraad van het afvalwater, gemeten ter plaatse van lozingspunt 8, uitgedrukt in pH-eenheden een waarde te hebben tussen 6,5 en 9.

2.6.2. Blijkens de stukken wordt onder de hiervoor genoemde terreingedeelten grondwater onttrokken om te voldoen aan de zogeheten droogleggingseis die voor deze terreingedeelten is gesteld in voorschrift 5.3.5.2 van de revisievergunning die gedeputeerde staten voor de inrichting hebben verleend. Ingevolge dit voorschrift dient, kort gezegd, de afstand tussen de stortzool en de natuurlijke gemiddeld hoogste grondwaterstand, dan wel tussen de stortzool en het kunstmatig ingestelde grondwaterniveau in een compartiment tenminste 0,7 meter te bedragen. Gedeputeerde staten hebben in voorschrift 5.3.2.1, onder b, van de revisievergunning voorgeschreven dat wanneer de hoeveelheid te onttrekken grondwater meer dan 36.000 m3 per jaar zal gaan bedragen, een damwand rondom de hiervoor genoemde terreingedeelten dient te worden aangelegd. Deze hoeveelheid is blijkens het MER het berekende omslagpunt waarbij de hoeveelheid grondwater die, gelet op de verwachte zettingen van de bodem, op termijn in de situatie zonder damwand zal moeten worden onttrokken om aan de droogleggingseis te voldoen, groter wordt dan de hoeveelheid grondwater die in de situatie met een damwand moet worden onttrokken om aan die eis te voldoen. In de aanvraag die ten grondslag ligt aan de onderhavige vergunning is bij deze gegevens aansluiting gezocht.

2.6.3. De Afdeling stelt vast dat het bronneringswater afkomstig van de grondwateronttrekking die plaatsvindt onder de hiervoor genoemde terreingedeelten van de stortplaats in de situatie dat nog geen damwand is geplaatst, in voorschrift 1 niet als waterstroom staat vermeld. Nu dit voorschrift, zoals hierboven weergegeven in overweging 2.4.1, een limitatieve opsomming bevat van de waterstromen waaruit het krachtens de vergunning te lozen afvalwater mag bestaan, en het lozen van het bronneringswater in de situatie dat nog geen damwand is geplaatst wel is aangevraagd, moet voorschrift 1 in zoverre als een impliciete weigering worden aangemerkt. Het bestreden besluit verdraagt zich in dit opzicht niet met het systeem van de Wet milieubeheer, voorzover thans van overeenkomstige toepassing.

2.6.4. Voorzover het betreft het bronneringswater genoemd onder 1.7 van voorschrift 1, hebben verweerders zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het afvoeren van dit relatief schone water naar de riolering geen optie is, aangezien dit de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Amersfoort nadelig beïnvloedt en bovendien de capaciteit van de riolering qua hoeveelheid niet is berekend op een dergelijke afvoer. Verweerders hebben vervolgens besloten om toe te staan dit bronneringswater op de Laak te lozen, omdat dit water volgens hen een zodanig doorstroomdebiet heeft dat als gevolg van de lozing de MTR-waarden voor het ontvangende oppervlaktewater – dat zijn de concentraties waarbij sprake is van het Maximaal Toelaatbaar Risico van een bepaalde stof - niet worden overschreden. Verweerders hebben geen aanleiding gezien om voor te schrijven dat vergunninghoudster het bronneringswater eerst moet reinigen alvorens het op de Laak te lozen, omdat met die reiniging volgens hen zodanige kosten zijn gemoeid, dat van vergunninghoudster redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij daartoe overgaat.

2.6.5. Ten aanzien van de in voorschrift 2.1, onder 1.7, gestelde maxima aan de hoeveelheid afvalwater die de onderhavige lozing respectievelijk per uur, etmaal en jaar mag bedragen, stelt de Afdeling vast dat verweerders deze hebben ontleend aan de aanvraag. In de stukken en het verhandelde op de beide zittingen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aanleiding hadden moeten zien om de juistheid van die gegevens in twijfel te trekken. Zij hebben zich bij het besluit daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat voorschrift 2.1, onder 1.7, kan worden nageleefd. De desbetreffende beroepsgrond van appellanten slaagt dan ook niet.

Uit onderzoek dat na het nemen van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden, is naar voren gekomen dat het doorstroomdebiet van de Laak in droge perioden onvoldoende is om aan de MTR-waarden te kunnen voldoen. De conclusies van dit onderzoek zijn niet in geschil. Gesteld noch gebleken is dat aan deze conclusies omstandigheden ten grondslag liggen die zich eerst na het nemen van het bestreden besluit hebben voorgedaan. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat verweerders zich bij dat besluit hebben gebaseerd op onjuiste gegevens over het doorstroomdebiet van de Laak. Voorzover zij in voorschrift 1, onder 1.7, hebben toegestaan om de desbetreffende waterstroom rechtstreeks op het oppervlaktewater te lozen alsmede voorzover zij met betrekking tot de kwaliteit van die lozing in de voorschriften 2.10 en 2.11 grenswaarden hebben gesteld, hebben zij het besluit dan ook onzorgvuldig voorbereid. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Hieraan kan niet afdoen dat, naar verweerders op de zitting van 24 september 2002 hebben gesteld, door het treffen van aanvullende maatregelen kan worden voorkomen dat in droge perioden op de Laak wordt geloosd, nu zij in het kader van de voorbereiding van het besluit in het geheel geen onderzoek hebben gedaan naar de maatregelen die hiervoor geschikt zouden zijn, noch terzake voorschriften aan de vergunning hebben verbonden.

Onder deze omstandigheden behoeven de overige beroepsgronden van appellanten met betrekking tot de lozingen op de Laak geen bespreking meer.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep van appellanten gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betreft de hierna te melden onderdelen. Verweerders dienen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.8. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Bij de vaststelling van het bedrag heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in de proceskostenveroordeling die zij ten aanzien van appellanten bij haar uitspraak van heden heeft uitgesproken in de zaak no. 200005047/2, die met de onderhavige zaak zowel op de zitting van 4 maart 2002 als op de zitting van 24 september 2002 gelijktijdig is behandeld, de vergoeding voor hun reis-, verblijf- en verletkosten reeds is begrepen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Vallei en Eem van 30 augustus 2000, kenmerk 1999/5856, voorzover het betreft de voorschriften 2.8, 2.10 en 2.11 alsmede voorzover:

- in voorschrift 1 de aangevraagde lozing van het bronneringswater afkomstig van de grondwateronttrekking onder de terreingedeelten II en III, de tussenstrook en de oostelijke uitbreiding in de situatie dat nog geen damwand is geplaatst, impliciet is geweigerd;

- in voorschrift 1, onder 1.3, niet is voorgeschreven dat de desbetreffende waterstroom op de gemeentelijke riolering moet worden geloosd;

- in voorschrift 1, onder 1.7, 1.8 en 1.9.1, is toegestaan dat de desbetreffende waterstromen rechtstreeks op het oppervlaktewater mogen worden geloosd;

- in voorschrift 2.6 voor zowel BTEX als PAK’s als eis voor de concentratie in enig steekmonster 0,01 mg/l is voorgeschreven;

III. draagt dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Vallei en Eem op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Vallei en Eem in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door het Waterschap Vallei en Eem te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat het Waterschap Vallei en Eem aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

213.