Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200106061/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106061/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "B.V. Exploitatiemaatschappij De Peelhorst Bakel”, gevestigd te Gennep,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2001, kenmerk 786415, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "B.V. Exploitatiemaatschappij De Peelhorst Bakel” een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd tot het winnen van zand en grind op de percelen kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie U, nummers 256, 257, 258 (gedeeltelijk), 259 (gedeeltelijk), 282 (gedeeltelijk), 265 tot en met 281, 288 (gedeeltelijk), 293 (gedeeltelijk) en 294, plaatselijk bekend als Bakelse Plassen. Dit aangehechte besluit is op 26 oktober 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 6 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2001, en appellant sub 2 bij brief van 10 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 6 februari 2002. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 8 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Poorter, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], appellant sub 2 in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerders, vertegenwoordigd door G.J.J.M. Boots en ing. D. van der Linden, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellante sub 1 – vergunninghoudster - heeft bezwaren tegen het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.1.1. Volgens appellante sub 1 blijkt uit de aanvraag duidelijk dat binnen de inrichting slechts in zeer beperkte mate sprake is van afvalstoffen en dat hiermee adequaat wordt omgegaan. Verder is, aldus appellante sub 1, in de aanvraag aangegeven dat registratie plaatsvindt. De in voorschrift 4.1.1 neergelegde verplichting kan volgens appellante sub 1 niet in redelijkheid worden opgelegd omdat niet verwacht kan worden dat hiermee enig substantieel milieurendement wordt verkregen.

2.2.1. Verweerders stellen dat zij door het opnemen van voorschrift 4.1.1 inzicht kunnen verkrijgen in het naleven van het in de aanvraag gestelde met betrekking tot de afgifte van afvalstoffen. Bovendien, zo hebben verweerders ter zitting toegelicht, kan aan de hand van het jaarlijks te ontvangen overzicht inzicht worden verkregen in de precieze hoeveelheid afvalstoffen die in de inrichting vrijkomt en worden beoordeeld of deze zou moeten worden beperkt. Door appellante sub 1 is in de aanvraag aangegeven dat registratie plaatsvindt van de afvoer van diverse binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen. Onder deze omstandigheden is het voorschrift volgens verweerders niet onnodig bezwarend voor vergunninghoudster.

2.2.2. In voorschrift 4.1.1 is het volgende bepaald:

”Per 1 april van elk kalenderjaar dient aan gedeputeerde staten een overzicht te worden gezonden van de afvalstoffenboekhouding van het voorgaande kalenderjaar.

In dit overzicht dient te worden vermeld de hoeveelheid afvalstoffen welke in dat jaar per LMA-categorie binnen de inrichting is:

a. vrijgekomen per bron;

b. afgevoerd met vermelding van bestemming en transporteur;

c. opgeslagen per 31 december.“.

De Afdeling stelt vast dat de in voorschrift 4.1.1 neergelegde verplichting in essentie niet meer behelst dan dat de in de aanvraag om vergunning beschreven registratie door vergunninghoudster van de opslag en afvoer van de in de inrichting vrijkomende afvalstoffen door haar aan verweerders wordt verstrekt. In hetgeen appellante sub 1 heeft aangevoerd ziet de Afdeling, mede gelet op het bepaalde in artikel 8.13 van de Wet milieubeheer, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders dit voorschrift niet in redelijkheid op grond van de hiervoor gegeven argumenten nodig hebben kunnen achten. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.3. Appellante sub 1 heeft bezwaren tegen de aan de vergunning verbonden, naar zij stelt, uitgebreide energievoorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.6. In dit verband heeft appellante sub 1 gesteld dat toepassing van de op dit punt door verweerders gehanteerde circulaire niet leidt tot de noodzaak om energievoorschriften aan de vergunning te verbinden. Voorts hanteren verweerders volgens appellante sub 1 geen consistent beleid. Daarbij verwijst appellante sub 1 naar vergunningverlening door verweerders inzake De Lithse Ham, eveneens betrekking hebbende op het winnen van zand en grind. Volgens appellante sub 1 verbinden gedeputeerde staten van Gelderland minder vergaande energievoorschriften en gedeputeerde staten van Limburg geen energievoorschriften aan vergunningen voor vergelijkbare ontgrondingen.

2.3.1. Verweerders stellen dat zij de circulaire “Energie in de milieuvergunning” van oktober 1999 hebben gehanteerd bij het vaststellen van de aan de vergunning verbonden energievoorschriften. Omdat de branche “zand en grindwinningen” geen zogenaamde meerjarenafspraak (MJA) met het Ministerie van Economische Zaken heeft gemaakt, dient het bedrijf van appellante sub 1 volgens verweerders als een niet MJA-bedrijf te worden beschouwd. De in de aanvraag genoemde gegevens geven volgens verweerders onvoldoende waarborg dat de huidige bedrijfsvoering de meest optimale is op het gebied van energiebesparing. Verweerders willen inzicht verkrijgen in het energieverbruik in de inrichting en in de mogelijkheden om dit verbruik te verminderen, rekening houdend met de in voornoemde circulaire gegeven randvoorwaarden.

2.3.2. In de voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.6 is, samengevat, voorgeschreven dat appellante sub 1 uiterlijk zes maanden na het van kracht worden van de vergunning een rapportage van een energiebesparingsonderzoek ter goedkeuring aan verweerders dient over te leggen en uiterlijk 3 maanden na het uitvoeren van dit onderzoek een bedrijfsenergieplan. Een door verweerders goedgekeurd bedrijfsenergieplan dient te worden uitgevoerd binnen de daarin gestelde termijnen. Voorts dient appellante sub 1 jaarlijks voor 1 juni te rapporteren over de voortgang van de verbetering van de energie-efficiency en elke 4 jaar een geactualiseerd bedrijfsenergieplan ter goedkeuring te overleggen aan verweerders.

Met verweerders stelt de Afdeling vast dat in de aanvraag van appellante sub 1 geen gegevens zijn opgenomen over het energieverbruik van de daaraan voorafgaande jaren en dat is volstaan met een globale beschrijving van getroffen en te treffen maatregelen om energie te besparen. Gelet op de omvang van het energieverbruik in de inrichting hebben verweerders zich dan ook naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden energievoorschriften nodig zijn om inzicht te verkrijgen in het energieverbruik en de mogelijkheden om dit verbruik te verminderen. Voorts hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk gemaakt dat de inrichting van appellante sub 1 zodanig verschilt met de andere door haar genoemde zandwinningen, dat deze voor wat betreft het energieverbruik en de mogelijkheden om dit verbruik te verminderen niet daarmee kunnen worden gelijk gesteld. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Appellant sub 2 stelt dat verweerders ten onrechte niet de gevolgen hebben geregeld van de exploitatie en de recreatiebestemming tijdens en na de zand- en grindwinning. Volgens appellant sub 2 moet het winnen van zand en grind tevens worden gezien als het oprichten van de na het beëindigen van de zand- en grindwinning te exploiteren recreatie-inrichting. Dit volgt volgens appellant sub 2 genoegzaam uit het bestemmingsplan “Herziening Bakelse Plassen”. Voorts stelt appellant sub 2 dat de aanwezigheid van een recreatie-inrichting uiterst nadelige gevolgen heeft voor de exploitatie van zijn op korte afstand van de inrichting gelegen veehouderij.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is aangevraagd en verleend voor een inrichting bestemd voor het winnen van zand en grind. Vorenstaande bezwaren van appellant sub 2 hebben betrekking op de gevolgen van het gebruik van de gronden na het beëindigen van de zand- en grindwinning. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de (aanvraag om) vergunning ten onrechte niet mede de oprichting en exploitatie van een recreatie-inrichting betreft. Verweerders hebben naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht met de bezwaren van appellant sub 2 die betrekking hebben op de door hem gestelde nadelige gevolgen van de exploitatie van een dergelijke inrichting in het kader van de onderhavige besluitvorming geen rekening gehouden. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Appellant sub 2 stelt dat de werkzaamheden in de inrichting trillinghinder veroorzaken. De mogelijke gevolgen hiervan, zoals het verzakken en scheuren van gebouwen en het daarmee gepaard gaande weglekken van mest, zijn volgens appellant sub 2 onvoldoende door verweerders beoordeeld. Het onderzoeksrapport inzake trillinghinder schiet volgens appellant sub 2 tekort omdat dit niet ziet op zijn perceel.

2.5.1. Verweerders stellen dat met name de in de inrichting aanwezige classificeerinstallatie bodemtrillingen zou kunnen veroorzaken. Uit onderzoek is verweerders gebleken dat in de representatieve bedrijfssituatie bij de dichtstbij de installatie gelegen woning geen bodemtrillingen waarneembaar zijn. De afstand tussen de classificeerinstallatie en de veehouderij van appellant sub 2 bedraagt volgens verweerders meer dan tweemaal de afstand tussen deze installatie en voornoemde woning. Omdat ook van de overige in de inrichting aanwezige installaties geen trillinghinder is te verwachten, bestaat volgens verweerders geen aanleiding om op dit punt voorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.5.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant sub 2 onvoldoende aannemelijk gemaakt dat tengevolge van de activiteiten in de inrichting verzakking en scheurvorming zal optreden. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellant sub 2 heeft aangevoerd geen grond voor de conclusie dat verweerders zich niet in redelijkheid op het hiervoor weergegeven standpunt hebben kunnen stellen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Zwinkels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

309.