Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200201176/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 406 met annotatie van I. Sewandono
JB 2003/34 met annotatie van BvM
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201176/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 4 januari 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2000 heeft appellant naar aanleiding van een verzoek van [verzoeker] om inzage in de aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt ambtsbericht ten grondslag liggende documenten, stukken verstrekt, waaruit bepaalde passages zijn verwijderd.

Bij besluit van 23 april 2001 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 januari 2002, verzonden op 17 januari 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 juni 2002 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

Bij brief van 27 juni 2002 heeft [verzoeker] de toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. P.L.G. van Velzen, ambtenaar ten departemente, is verschenen. [verzoeker] is daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft aan het besluit van 23 april 2001 primair artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) ten grondslag gelegd en verdergaande inzage voorts mede geweigerd op grond van analoge toepassing van de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d en g, van de Wob vermelde weigeringsgronden.

2.1.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank is er bij de beoordeling van het bestreden besluit van uit gegaan dat daarin geen toepassing is gegeven aan de Wob. Zij is daarbij kennelijk afgegaan op het in verweer bij haar gevoerde betoog dat die wet op het verzoek van [verzoeker] niet van toepassing is. Aangezien dit betoog niet strookt met hetgeen in het besluit is overwogen en beslist, is de rechtbank dusdoende buiten de grenzen van het geschil getreden, zoals die ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb getrokken moeten worden.

2.1.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling een oordeel geven over het inleidende beroep.

2.2. Voorzover het beroep van [verzoeker] zich richt tegen de weigering hem verdergaande inzage in de stukken te verstrekken mede op grond van analoge toepassing van de weigeringsgronden van de Wob, overweegt de Afdeling dat naast die wet en artikel 8:29 van de Awb geen ruimte is voor het voeren van een beleid dat strekt tot gerichte openbaarmaking, in zoverre analoge toepassing van de weigeringsgronden van de Wob zich daar niet tegen verzet. Appellant had de op de Wob gebaseerde aanvraag uitsluitend moeten beoordelen aan de hand van de in die wet neergelegde maatstaven en de Afdeling gaat er van uit dat in zoverre de aanvraag is ingewilligd, dat is gebeurd op grond van die wet. Het standpunt van appellant dat de Wob alleen van toepassing is op publieke informatie en hier sprake is van naar haar aard niet-publieke informatie, strookt niet met de strekking van die wet. Zij behelst immers de maatstaven, aan de hand waarvan moet worden beslist, welke informatie voor openbaarmaking in aanmerking komt.

2.3. Anders dan appellant stelt, behelst artikel 8:29 van de Awb geen uitputtende openbaarmakingsregeling die de Wob opzij zet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2000 in zaak nr. 200000981/1, AB 2002, 41) wijkt de Wob als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Zo’n regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van materiële bepalingen in de bijzondere wet.

Artikel 8:29 van de Awb heeft betrekking op de kennisneming van de gedingstukken door partijen in een gerechtelijke procedure. Anders dan de Wob, strekt die bepaling niet tot openbaarmaking van informatie en is zij naast de Wob toepasselijk.

2.4. Ter beoordeling staat derhalve of appellant ingevolge de Wob verdergaande inzage in de stukken had dienen te verschaffen.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2002 in zaak nr. 200005291/1, aangehecht ter voorlichting van partijen) dient het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang die wet vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de betrokken verzoeker. Deze belangenafweging kan niet leiden tot bekendmaking aan slechts de verzoeker wegens diens specifieke belang. Voorzover [verzoeker] stelt met het oog op het verkrijgen van een verblijfsvergunning belang te hebben bij inzage in het dossier, is dit belang dan ook terecht niet bij de afweging betrokken.

2.4.2. Er is geen grond voor het oordeel dat appellant zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij openbaarmaking van de stukken die aan een ambtsbericht, als hier aan de orde, ten grondslag liggen, het belang van bronbescherming en van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek, in het algemeen zwaarder moeten wegen dan het belang bij openbaarheid.

2.4.3. Appellant heeft zich, lettend op de inhoud van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, verder op het standpunt gesteld dat in dit geval bedoelde belangen in het geding zijn en dat deze zich er, mede met het oog op toekomstig onderzoek, tegen verzetten dat hij meer informatie verschaft, dan de aan [verzoeker] toegezonden stukken, waarbij enkele passages zijn weggelaten.

2.4.4. Kennisneming met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb van de desbetreffende passages leidt tot het oordeel dat de belangen waarop appellant zich heeft beroepen, in dit geval aan de orde zijn en niet kunnen worden beschermd door een geringere mate van anonimisering of beperking van de openbaarmaking dan heeft plaatsgevonden in de documenten, zoals aan [verzoeker] verstrekt.

2.4.5. De totstandkoming en het waarheidsgehalte van het uitgebrachte ambtsbericht staan in dit geding niet ter beoordeling. Deze kunnen in de asielprocedure eventueel aan de orde worden gesteld.

2.4.6. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat appellant bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de ontbrekende informatie openbaar te maken.

2.5. Gelet op het vorenstaande verklaart de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 4 januari 2002 in zaak nr. 01/1029 WOB;

III. verklaart het door [verzoeker] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

97-421.