Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200000446/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200000446/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 1999 heeft de gemeenteraad van Haelen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 1 april 1999, vastgesteld het bestemmingsplan “Kern Haelen-Nunhem".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 30 november 1999, kenmerk

99/55164M, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 25 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2000, en appellant sub 2 bij brief van 26 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2000, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 maart 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 april 2000 hebben verweerders medegedeeld dat de beroepschriften hun geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 januari 2001 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2002, waar appellant sub 1 in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door

mr. R.Th.B. Drummen en mr. H.J.M. Achten, ambtenaren van de provincie,

zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Rotterdam, gehoord.

Appellant sub 2 is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet - voorzover in deze procedure aan de orde - in een regeling ten behoeve van een gewijzigde aansluiting vanuit de kern Haelen op de huidige Napoleonsweg.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellant sub 2 heeft bezwaren aangevoerd met betrekking tot de totstandkoming van het plan. Hij stelt dat de inspraakprocedure onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, aangezien met belanghebbenden geen adequaat overleg is gevoerd over de bestemmingsregeling. Tevens betoogt appellant dat de gemeenteraad na de terinzagelegging van het plan ten onrechte wijzigingen heeft aangebracht, die in zijn nadeel zijn.

2.4.1. Ingevolge artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan betrokken op de wijze zoals voorzien in de vastgestelde inspraakverordening. De gemeenteraad van Haelen heeft een inspraakverordening vastgesteld bij besluit van 12 september 1994. Hierin is een regeling getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de inspraakverordening. Niet is gebleken dat appellant van dit klachtrecht ten aanzien van de inspraak op het bestreden plan gebruik heeft gemaakt.

Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op de bezwaren van appellant ter zake van de inspraak verder in te gaan.

Voorzover appellant bezwaar maakt tegen de vaststelling van het plan in afwijking van het ontwerp overweegt de Afdeling als volgt. De gemeenteraad kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor.

2.5. Voorzover appellant sub 2 heeft aangevoerd dat verweerders onvoldoende op zijn bezwaren zijn ingegaan, overweegt de Afdeling dat uit het bestreden besluit voldoende blijkt wat het standpunt van verweerders is ten aanzien van de door appellant tegen het plan ingebrachte bedenkingen.

2.6. Appellant sub 2 voert voorts aan dat ten onrechte geen milieu- effectrapport (hierna: MER) is gemaakt in het kader van het plan. Hij acht dit met het oog op de in het plan voorziene nieuwe verkeersstructuur noodzakelijk.

2.6.1. Verweerders hebben overwogen dat het plan, ingevolge het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit m.e.r.), geen m.e.r.-plichtige onderdelen bevat.

2.6.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van overheidsorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel II, onder b, van het Besluit van 7 mei 1999, houdende wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 alsmede uitvoering van artikel 2, derde lid, van de Tracéwet, voorzover van belang, blijft, indien voor 14 maart 1999 met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 7.2 of 7.4 van de Wet milieubeheer mededeling is gedaan van een ontwerp van een besluit bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt en dit ontwerp ter inzage is gelegd, het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing.

Nu blijkens de stukken het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd op 26 januari 1999 is de oude versie van het Besluit m.e.r. van toepassing.

De Afdeling is van oordeel dat niet is gebleken dat in het plan zodanige activiteiten worden geregeld dat op grond van het Besluit m.e.r. voor de vaststelling van het bestemmingsplan een MER had moeten worden gemaakt.

2.7. Appellanten sub 1 en 2, eigenaren van percelen die liggen tussen de Burgemeester Aquariusstraat en de Op den Dries, hebben bezwaren tegen de in het plan voorziene ontsluiting van de Op den Dries op de Napoleonsweg nu deze ten koste van een deel van hun gronden zal gaan. Zij twijfelen aan de noodzaak voor deze ontsluiting. Appellant sub 1 is verder van mening dat er alternatieven voor het tracé van de ontsluiting zijn waarbij een veel geringer deel van zijn perceel benodigd zou zijn. Hij twijfelt voorts aan enkele aannames en uitkomsten van het verkeersonderzoek en het daarmee verbandhoudende akoestische rapport.

2.7.1. De gemeenteraad heeft aan een deel van de gronden van appellanten die aan de Op den Dries grenzen de bestemmingen "Open Ruimten I (OR I)" en "Groenvoorzieningen 1 (G1)" toegekend. Met de bestemming "Open Ruimten I (OR I)" wordt onder meer de aansluiting van de Op den Dries op de Napoleonsweg mogelijk gemaakt. Met de bestemming "Groenvoorzieningen 1 (G1)" wordt de planologische regeling van het vorige bestemmingsplan voor deze gronden voortgezet.

2.7.2. Verweerders achten dit deel van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarbij onder meer overwogen dat de ontsluiting van de Op den Dries op de Napoleonsweg onderdeel uitmaakt van de veranderingen in de verkeersstructuur van Haelen als gevolg van de verlegging van de Napoleonsweg om de kern (hierna: de kernomleiding). Verweerders hebben verder overwogen dat de aansluiting van een haakse zijweg naar een doorgaande route om meer ruimte vraagt en dat tevens rekening dient te worden gehouden met vrijliggende fietspaden in verband met de veiligheid van de fietsers. Dat daarbij een deel van de percelen van appellanten zal moeten worden benut voor de aansluiting, achten zij aanvaardbaar tegen de achtergrond van het geheel van de verkeersherziening en de daarbij behorende integrale belangenafweging. Gelet hierop hebben verweerders dit plandeel goedgekeurd.

2.7.3. Uit de stukken blijkt dat de kernomleiding als aanvullende infrastructurele maatregel is voorgesteld bij de vaststelling van het tracé Rijksweg 73-zuid door de Minister van Verkeer en Waterstaat bij besluit van 3 maart 1995. De kernomleiding wordt noodzakelijk geacht gezien de hoge en toenemende verkeersintensiteit op de Napoleonsweg (N273). De kern Haelen zal door middel van een nieuwe ontsluiting aan de zuidzijde en een vernieuwde ontsluiting aan de noordzijde (Burgemeester Aquariusstraat) op de kernomleiding worden aangesloten. De Napoleonsweg zal als gevolg van de aanleg van de kernomleiding aan de zuidzijde voor doorgaand verkeer en aan de noordzijde ter hoogte van de Op den Dries voor alle doorgaand verkeer met uitzondering van (brom)fietsers en voetgangers worden afgesloten. Het plan maakt het mogelijk dat de, nu nog doodlopende, Op den Dries ten behoeve van de wijkontsluiting van (een deel van) de kern Haelen wordt ontsloten op de Napoleonsweg. Het is de verwachting dat bestemmingsverkeer, een busdienst en de vuilophaaldienst van deze weg gebruik zullen gaan maken. De kernomleiding en de afsluiting van de Napoleonsweg worden in het bestemmingsplan "Omleiding-Maascentrale" planologisch geregeld.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de noodzaak van de ontsluiting is aangetoond. Het betoog van appellant sub 1 dat door het herstellen van de aansluiting van de Kasteellaan op de Napoleonsweg de noodzaak voor openstelling van de Op den Dries ontbreekt, maakt dit niet anders.

2.7.4. Ten behoeve van de openstelling van de Op den Dries is in het plan een ruim bestemmingsvlak opgenomen met de bestemming "Open Ruimte I (ORI)". Deze bestemming is op een deel van de percelen van appellanten gelegd. Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur bij deze keuze de door Rijkswaterstaat aangeleverde tekening met betrekking tot de nieuwe ontsluiting als referentie heeft aangehouden. Hierdoor wordt een uit verkeersoogpunt logische en overzichtelijke aansluiting van de Op den Dries op de Napoleonsweg mogelijk gemaakt. Onder meer is de ruimte nodig om de toeleidende fietspaden naar de te bouwen tunnel onder de kernomleiding aan te leggen. De fietspaden dienen vanwege ter plaatse aanwezige hoogteverschillen op een talud te worden aangelegd.

Gelet hierop en mede gezien het deskundigenverslag is de Afdeling van oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dan aan het belang van appellanten bij het behoud van hun gronden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het bestaan van alternatieven voor het tracé van de ontsluiting op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.7.5. Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur onderzoeken heeft laten uitvoeren naar de verkeerskundige effecten op het gemeentelijke wegennet ten gevolge van de omleiding van de Napoleonsweg en naar de akoestische consequenties daarvan. Het betreft de onderzoeken van Witteveen en Bos van 21 augustus 1997 en van Cauberg-Huygen van

27 februari 1998. Blijkens deze onderzoeken zal – voor zover hier van belang - na de realisering van de kernomleiding de verkeersintensiteit op de Op den Dries 500 in 2004 en 486 in 2010 motorvoertuigen per etmaal bedragen. In de onderzoeken is tevens rekening gehouden met het vrachtverkeer. De geluidbelasting zal voorts de 50 dB(A) niet te boven gaan. Niet is gebleken dat deze conclusies onaannemelijk of onjuist zijn. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor genoemde onderzoeken zodanige gebreken vertonen dat verweerders zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet hadden mogen baseren. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat appellanten door de geringe toeneming van de verkeersbelasting ten gevolge van de openstelling van de Op den Dries niet onevenredig in hun belangen zullen worden geschaad.

2.8. Appellant sub 1 heeft voorts als bezwaar aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in de mogelijkheid op zijn perceel een woning te bouwen, georiënteerd aan de Op den Dries.

2.8.1. De gemeenteraad, die aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Groenvoorzieningen 1 (G1)“ heeft toegekend, heeft bij de vaststelling van het plan niet ingestemd met het bouwen van een woning op deze plaats, omdat dit een aantasting zou betekenen van het ter plekke nog aanwezige broekgebied en het oude beekdal Geylenbroekweg - Op den Dries.

2.8.2. Verweerders hebben dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.8.3. De onbebouwde percelen van appellant sub 1 liggen ongeveer 2 meter lager dan de omliggende gronden en worden gekenmerkt door groenstructuren. Hiervoor is reeds overwogen dat met de aan deze gronden toegekende bestemming “Groenvoorzieningen 1 (G1)” de planologische regeling van het vorige plan voor deze gronden wordt voortgezet. In het deskundigenbericht is vermeld dat deze bestemming werd toegekend omdat deze gronden onderdeel uitmaken van het resterende deel van het oude beekdal Geylenbroekweg – Op den Dries, waarvoor wordt gestreefd naar instandhouding van de nog aanwezige landschappelijke waarde. De Afdeling is van oordeel dat verweerders bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij het behoud van de nog aanwezige landschappelijke waarde van dit broekgebied, dat als karakteristiek groentangent kan worden aangemerkt, dan aan het belang van appellant bij het mogelijk maken van woningbouw op deze gronden.

2.9. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

85-248-392.