Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200203616/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203616/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Schinnen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 25 juni 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2000 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) aan de besloten vennootschap [vergunninghoudster] krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en tevens bouwvergunning verleend voor het bouwen van 19 appartementen op de [locatie].

Bij besluit van 29 mei 2001 hebben zij het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 juni 2002, verzonden op 26 juni 2002, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 augustus 2002 heeft [verzoeker] een memorie ingediend.

Bij brief van 22 augustus 2002 heeft vergunninghouder een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. B. Weijenberg-Habets en H.H. Christophe, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Voorts is [verzoeker] daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan, ten behoeve waarvan vergunning is verleend, is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bebouwde kom Oirsbeek”. Teneinde realisering van het bouwplan mogelijk te maken, hebben burgemeester en wethouders met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure bouwvergunning verleend. Aan de wettelijke vereisten voor het volgen van deze procedure was voldaan.

2.2. Burgemeester en wethouders hebben in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de urgentie van het bouwplan onvoldoende is aangetoond.

2.3. Uit het karakter van de anticipatieprocedure vloeit voort dat het gebruik ervan slechts passend is, indien het gaat om een bouwwerk of werkzaamheid, bij de realisering waarvan zodanig dringende belangen zijn gemoeid, dat bezwaarlijk op afronding van de bestemmingsplanprocedure kan worden gewacht, dan wel het desbetreffende project redelijkerwijs niet kan worden gevergd te wachten op het van kracht worden van het nieuwe bestemmingsplan.

De mate van de te verlangen spoedeisendheid van het project is afhankelijk van de omvang van de inbreuk op de planologische situatie ter plaatse. Wil er voor anticipatie plaats zijn, dan zullen de belangen die met verwezenlijking van het bouwplan zijn gediend, dringender moeten zijn naarmate die inbreuk ingrijpender is.

Ook aan het planologisch kader, waarop wordt vooruitgegrepen, dienen hogere eisen te worden gesteld, naargelang de ingreep in de bestaande planologische situatie verdergaand is.

2.4. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het bouwplan, gelet op de ter plaatse geldende bebouwingsmogelijkheden en de afmetingen van de voorgenomen bouw, een aanmerkelijke inbreuk op de bestaande planologische situatie betekent.

2.5. In bezwaar hebben burgemeester en wethouders aangegeven dat in de gemeente Schinnen een achterstand in de woningbouw is ontstaan, die, op basis van de provinciale richtcijfers, dertig woningen bedraagt. Voorts hebben zij er onbestreden op gewezen dat rondom – onder meer - de kern Oirsbeek strakke bebouwingscontouren zijn getrokken, waardoor de woningbehoefte uitsluitend, zoals in dit geval, via zogeheten inbreiding kan worden gerealiseerd. Nu deze grond voornamelijk in bezit is van particulieren, is het ontwikkelen van bestemmingsplannen op voorhand voor nieuwe bouwlocaties niet zonder meer mogelijk, zo stellen burgemeester en wethouders evenzeer onweersproken.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een reële behoefte aan dit type woningen, moet, anders dan de rechtbank heeft gedaan, worden geoordeeld dat realisering van de woningen in het onderhavige bouwplan voldoende urgent is om het volgen van de anticipatieprocedure te rechtvaardigen.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, dient het inleidende beroep van [verzoeker] ongegrond te worden verklaard. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking.

2.7. Geen grond bestaat voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19 (oud) van de WRO konden besluiten. Het betoog van [verzoeker] dat burgemeester en wethouders geen onderzoek hebben verricht naar alternatieve locaties voor het bouwplan faalt. Burgemeester en wethouders hebben eerst en vooral te beslissen omtrent het bouwplan, zoals dat bij hen is ingediend. Verder is niet gebleken dat op voorhand duidelijk was dat elders een vergelijkbaar resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Met betrekking tot de door [verzoeker] gestelde vermindering van privacy, zon- en daglichttoetreding en vrees voor parkeer- en wateroverlast, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat burgemeester en wethouders aan de door [verzoeker] gestelde belangen een zodanig gewicht hadden behoren toe te kennen, dat zij niet in redelijkheid vrijstelling hebben kunnen verlenen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 25 juni 2002, in zaak nr. AWB 01/841 WRO19 I;

III. verklaart het door [verzoeker] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

53-387.