Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200105923/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105923/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Skarsterlân,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2000, kenmerk 2000.000975/002637/003611/

004139/004785/005294/005441/005869/006119/006539/006715/

006830.m, hebben verweerders besloten geen financiële tegemoetkoming aan appellant te verstrekken.

Bij besluit van 13 november 2001, kenmerk 2000.007129/01111604.a, verzonden op 16 november 2001, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerders. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2002, waar appellant, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door W. Poppe, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 9 januari 1998 hebben verweerders het bezwaar van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 12 januari 1995 om handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van het jachtverhuurbedrijf van [vergunninghouder], ongegrond verklaard, nadat de Afdeling het besluit van verweerders van 26 januari 1996 tot niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar had vernietigd.

Voorts hebben verweerders bij besluit van 16 november 1999 afwijzend beslist op een ander verzoek van appellant om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het jachtverhuurbedrijf van [vergunninghouder] voornoemd.

2.2. Bij brief van 15 februari 2000 heeft appellant verweerders verzocht om toekenning van een financiële vergoeding voor waardedaling van zijn woning ten gevolge van het achterwege blijven van handhavend optreden tegen structurele overtredingen door het jachtverhuurbedrijf van [vergunninghouder].

2.3. Verweerders hebben aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat zij met betrekking tot het afzien van handhaving niet verwijtbaar hebben gehandeld, dat er geen schade aan hen is toe te rekenen en dat zij niet gehouden zijn een financiële tegemoetkoming te verstrekken.

Er is volgens verweerders geen causaal verband aanwezig tussen eventuele schade en toerekenbaar onrechtmatig handelen door niet positief te beslissen op de handhavingsverzoeken, nu van overtreding geen sprake is.

Volgens verweerders is niet gebleken van causaal verband tussen activiteiten van het bedrijf (in het bijzonder manoeuvreren met boten) en het uitspoelen van grond uit de oever. Controles tonen volgens verweerders niet aan dat verhuurboten voor de woning manoeuvreren.

Verder stellen verweerders dat, wat geluidoverlast bij het schoonmaken en repareren van boten betreft, niet is gebleken dat het bedrijf zich niet aan de voorschriften houdt of in overtreding is geweest; er is volgens verweerders dan ook geen extra geluidoverlast veroorzaakt door activiteiten die niet zijn vergund. Van schade ten aanzien van dit onderdeel kan volgens verweerders derhalve evenmin sprake zijn.

Voorts stellen verweerders dat uit controles niet is gebleken dat boten extra dicht langs de woning van appellant varen. Verder is het water langs de woning openbaar vaarwater. Van schade ten aanzien van dit onderdeel is volgens verweerders dan ook evenmin gebleken.

Voorts zou volgens verweerders geen immateriële schade worden geleden als partijen [vergunninghouder] en [appellant] wederzijds meer respect zouden tonen. Schade die beide partijen lijden door dit niet te doen, kan volgens verweerders niet aan hen worden toegerekend.

2.4. Appellant betoogt dat door het niet handhaven van de voorschriften van de vergunning van 19 juni 1992 enorme schade is ontstaan, bestaande uit waardedaling van zijn woning, door het uitspoelen van gronden uit de oever door draaibewegingen van boten van het jachtverhuurbedrijf, geluidoverlast bij het schoonmaken en repareren van boten, inboeting van privacy, verminderd uitzicht, rookontwikkeling, overnachten op de verhuurboten, het lozen van afvalwater en lichtflikkeringen. Verweerders nemen volgens appellant ten onrechte aan dat tussen de activiteiten van het bedrijf en de uitspoeling geen causaal verband bestaat. Verweerders nemen verder ten onrechte aan dat niet is aangetoond dat voor de woning wordt gemanoeuvreerd. Voorts gaan verweerders er ten onrechte van uit dat het manoeuvreren niet in strijd is met de vergunning, ongeacht of (al dan niet per abuis) geen voorschrift over dit onderdeel in de vergunning is opgenomen. De herstelkosten bedragen reeds ruim € 22.689 en verder blijkt de woning nagenoeg onverkoopbaar (de waardevermindering bedraagt volgens appellant zeker € 45.378). Dat sprake is van overtredingen, ook van andere voorschriften van de vergunning, wordt volgens appellant bevestigd door de bezwaarschriftencommissie, verweerders zelf, en de (Voorzitter van de) Afdeling.

2.4.1. Tegen het besluit van 9 januari 1998 heeft appellant beroep ingesteld. Bij uitspraak van 30 juni 2000, no. E03.98.0127, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd voorzover het ziet op de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om handhaving met betrekking tot de voorschriften I.9, I.10 en I.14 van de vergunning van 19 juni 1992, aangezien het besluit in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet berustte op een deugdelijke motivering. Bij besluit van 16 augustus 2000 hebben verweerders ten aanzien van de onderdelen waarop hun besluit van 9 januari 1998 is vernietigd een nieuw besluit genomen. Bij besluit van 23 november 2000 hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 30 januari 2001 hebben verweerders een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Tegen de besluiten van 23 november 2000 en 30 januari 2001 heeft appellant beroep ingesteld. Bij uitspraak van 14 november 2001, nos. 200100185/1 en 200101176/2, heeft de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 november 2000 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 30 januari 2001 ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 16 november 1999 heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 februari 2000 hebben verweerders de bezwaren van appellant op rechtmatigheidsgronden gegrond verklaard voorzover deze betrekking hadden op handhavend optreden ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden in de open lucht (voorschrift I.14), het overnachten op verhuurboten (voorschrift I.9), het met boten manoeuvreren voor de woning van appellant, en de afvoer van boen- en schrobwater (voorschrift I.11). Bij uitspraak van 14 november 2001, nos. 200001243/2 en 200004899/2, heeft de Afdeling het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Voorzover bij uitspraak van 30 juni 2000 het besluit van 9 januari 1998 is vernietigd, alsmede voorzover bij besluit van 29 februari 2000 de bezwaren tegen het besluit van 16 november 1999 gegrond zijn verklaard, overweegt de Afdeling als volgt.

In voornoemde uitspraak van 14 november 2001, nos. 200100185/1 en 200101176/2, heeft de Afdeling overwogen dat niet is gebleken dat het standpunt van verweerders, dat de aan de vergunning van 19 juni 1992 verbonden voorschriften met betrekking tot het overnachten op verhuurboten en het verrichten van werkzaamheden in de werkplaats (voorschriften I.9 en I.14) niet of niet meer werden overtreden, zodat zij in zoverre niet bevoegd waren handhavend op te treden, onjuist is. Verder achtte de Afdeling het standpunt van verweerders dat voorschrift I. 10 inzake de plaats van het brandblusapparaat niet handhaafbaar is, juist. Ten slotte heeft de Afdeling overwogen dat de vergunning geen voorschrift kent ten aanzien van het manoeuvreren van de verhuurboten en dat de pijlen op de bij de aanvraag behorende tekening bij de aanvraag geen grondslag kunnen vormen om handhavend op te treden tegen het manoeuvreren van de verhuurboten buiten de inrichting ter hoogte van de woning van appellant.

Gelet hierop en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de handhavingsverzoeken van appellant, voorzover het de desbetreffende activiteiten betrof, voor inwilliging in aanmerking kwamen. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat appellant ten gevolge van het niet treffen van handhavingsmaatregelen ten aanzien van de desbetreffende activiteiten bij de besluiten van 9 januari 1998 en 16 november 1999 geen schade heeft geleden. Het verzoek om schadevergoeding is in zoverre terecht afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar terecht ongegrond verklaard.

Voorzover bij de uitspraak van 30 juni 2000 het besluit van 9 januari 1998 niet is vernietigd, alsmede voorzover bij besluit van 29 februari 2000 de bezwaren tegen het besluit van 16 november 1999 ongegrond zijn verklaard, moeten de besluiten van 9 januari 1998 en 16 november 1999 voor rechtmatig worden gehouden. Niet is in zoverre gebleken van bijzondere, zeer klemmende omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat van de rechtmatigheid van een besluit dient te worden uitgegaan, zolang het niet is vernietigd. Verweerders hebben in zoverre derhalve terecht geen schadevergoeding wegens onrechtmatig niet-handhavend optreden toegekend en het daartegen gemaakte bezwaar terecht ongegrond verklaard. Voorts is er, nu ten aanzien van de desbetreffende activiteiten niet is gebleken van overtredingen, geen plaats voor het oordeel dat verweerders de voor appellant aan de desbetreffende activiteiten verbonden lasten, voorzover daarvan sprake is, geheel of gedeeltelijk dienden te compenseren op grond van het rechtsbeginsel van “egalité devant les charges publiques” (gelijkheid voor openbare lasten).

De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. K. Brink en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

271.