Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200200350/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200350/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1], gevestigd te [plaats];

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats];

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats];

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 december 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Spijkenisse.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders van Spijkenisse (hierna: burgemeester en wethouders) een artikelgroep "warme en koude dranken" toegevoegd aan artikel 5 van het Reglement op de dinsdagmarkt en bepaald dat toewijzing van een standplaats voor dit artikel geschiedt door middel van loting.

Bij besluit van 7 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders bedoelde standplaats, na loting tussen [partij] en [appellant sub 1], toegewezen aan [partij].

Tegen deze besluiten hebben appellanten sub 1 en 2 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders het door appellanten sub 1 en 2 tegen het besluit van 11 juli 2000 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dit besluit betrekking heeft op de toevoeging van de nieuwe artikelgroep “warme en koude dranken” aan het Reglement op de dinsdagmarkt, en ongegrond verklaard, voor zover daarbij is bepaald dat toewijzing van de standplaats plaatsvindt door middel van loting.

Bij hetzelfde besluit hebben burgemeester en wethouders het door appellanten sub 1 en 2 tegen het besluit van 7 augustus 2000 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dit besluit ingetrokken en de standplaats, na loting tussen [partij] en appellant sub 2, alsnog toegewezen aan appellant sub 2. Dit besluit en het advies van Kamer I van de Algemene bezwaar- en beroepscommissie van 17 oktober 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 6 december 2001, verzonden op 10 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 30 januari 2001 door appellant sub 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Voorts zijn hierbij de door appellante sub 1 en door [partij] ingestelde beroepen gegrond verklaard, en is het besluit van 30 januari 2001, met uitzondering van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de toevoeging van een nieuwe artikelgroep, vernietigd. Hierbij is, onder de bepaling dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, het bezwaar van appellante sub 1 alsnog niet-ontvankelijk en het bezwaar van appellant sub 2 alsnog ongegrond verklaard, waarbij de besluiten van 11 juli 2000 en 7 augustus 2000 zijn gehandhaafd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 juni 2002 heeft [partij] een reactie ingezonden.

Bij brief van 4 juli 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2002, waar appellant sub 2 in persoon, en appellanten sub 1 tot en met 3, vertegenwoordigd door mr. P. Smit, advocaat te Rhoon, burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. I.M. Schong, advocaat te Rotterdam, en [partij] in persoon, bijgestaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante sub 3 heeft noch bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 11 juli 2000 en 7 augustus 2000, noch beroep aangetekend tegen het besluit van 30 januari 2001. Gesteld noch gebleken is dat haar dit niet redelijkerwijs kan worden verweten. Gelet op de artikelen 6:13 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. De rechtbank is met juistheid, onder alsnog niet-ontvankelijkverklaring van het door appellante sub 1 gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 11 juli 2000 en 7 augustus 2000, gekomen tot gegrondverklaring van haar beroep, op de grond dat genoemde besluiten deze appellante niet rechtstreeks in haar belangen hebben getroffen. Gelet op artikel 5 van de Marktverordening Spijkenisse (hierna: de verordening) komt zij als rechtspersoon niet zelfstandig voor vergunningverlening in aanmerking, terwijl evenmin is gebleken dat zij dit niettemin beoogde. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat appellante sub 1 in haar belangen is geschaad via de contractuele relatie met appellante sub 3, waardoor slechts sprake is van een afgeleid belang. Het betoog in hoger beroep dat appellante sub 1 door het besluit van 7 augustus 2000 een financieel nadeel lijdt, weerspreekt dit niet. Het door appellante sub 1 instelde hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.3. Appellant sub 2 heeft burgemeester en wethouders bij brief van 22 februari 2000 verzocht de op zijn naam staande standplaatsvergunning voor de verkoop van patat en aanverwanten op de dinsdagmarkt te Spijkenisse op naam van appellante sub 3, werkneemster van appellante sub 1 - die hem feitelijk reeds verving op de markt - over te schrijven. Daarbij heeft appellant sub 2 tevens verzocht de koffievoorziening voor de marktkooplieden, waarmee hij zich de afgelopen (ruim) 30 jaar heeft ingelaten, eveneens op haar naam te doen overschrijven. Burgemeester en wethouders hebben aan het verzoek van appellant sub 2, voor zover dit betrekking heeft op de verkoop van patat en aanverwanten, voldaan; voor wat betreft de koffievoorziening aan de marktmedewerkers hebben zij het verzoek - impliciet - afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat zij bedoelde koffievoorziening weliswaar lange tijd hebben gedoogd, maar dat hiervoor nooit vergunning is verleend. Burgemeester en wethouders hebben de beëindiging van de werkzaamheden door appellant sub 2 te baat genomen om een nieuwe branche in het leven te roepen, waardoor een alsnog te vergunnen standplaats is ontstaan.

2.4. In het gegeven dat appellant sub 2 toch reeds voornemens was te stoppen met de markt ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat appellant sub 2 in hoger beroep niet langer een procesbelang heeft, zoals [partij] meent. Appellant sub 2 stelt schade te hebben geleden, in verband waarmee hij tevens een civiele procedure is gestart. Voorts heeft hij betoogd dat hij de standplaats voor de verkoop van patat en aanverwanten niet wilde laten overschrijven zonder de koffievoorziening en dat hij de standplaats desnoods zelf had behouden. Een belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep kan appellant sub 2 dan ook niet worden ontzegd.

2.5. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de verordening kunnen burgemeester en wethouders een lijst vaststellen van op de markt toe te laten artikelengroepen.

Bedoelde lijst is vastgesteld bij artikel 5, tweede lid, van het Reglement op de dinsdagmarkt (hierna: het reglement).

2.6. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat burgemeester en wethouders het tegen het besluit van 11 juli 2000 tot toevoeging van de nieuwe artikelgroep gerichte bezwaar terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard. Het betreft hier de wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met externe werking en een algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat.

2.7. Ten onrechte evenwel heeft de rechtbank, zelf voorziende, het bezwaar, voor zover dit is gericht tegen de in het besluit van 11 juli 2000 neergelegde mededeling dat toewijzing van de standplaats geschiedt door middel van loting, alsnog ongegrond verklaard. Deze mededeling is op zichzelf niet op rechtsgevolg gericht en derhalve niet appellabel. Het hoger beroep van appellant sub 2 is hierdoor gegrond. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking, waarbij de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bezwaar van appellant sub 2 in zoverre alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren.

2.8. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het reglement worden voor de markt artikelsgewijs lijsten van ingeschrevenen opgemaakt, aan de hand waarvan burgemeester en wethouders standplaatsen toewijzen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het reglement, voor zover hier van belang, geschiedt de toewijzing van vaste standplaatsen op de markt eerst aan de hand van de lijst van vaste plaatshouders en vervolgens aan de hand van de lijst van meelopers, in de volgorde waarin elk van deze categorieën op de lijsten zijn ingeschreven.

Ingevolge artikel 37 van het reglement zijn burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen bevoegd af te wijken van het bepaalde in het reglement.

2.9. Het betoog van appellant sub 2 dat de standplaats voor de koffieverkoop voor marktmedewerkers aan zijn opvolgster, appellante sub 3, had moeten worden toegewezen, slaagt niet. Zijn stelling dat de hem in 1968, ten behoeve van de verkoop van patat en aanverwanten, verleende vergunning mede betrekking had op de verkoop van koffie voor marktkooplieden, zodat een recht om de koffievoorziening te mogen verzorgen met de standplaatsoverschrijving op naam van appellante sub 3 is komen te staan, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. In zijn eerdergenoemde brief van 22 februari 2000 maakte ook hij onderscheid tussen de beide verkoopactiviteiten, waaruit volgt dat hij zich ervan bewust moet zijn geweest dat de vergunning niet tevens strekte tot de koffieverkoop voor marktmedewerkers. Burgemeester en wethouders hebben, rekening houdend zowel met de belangen van [partij], als eerste ingeschrevene op de lijst van de nieuwe artikelgroep, als met die van appellant sub 2, als degene die feitelijk gedurende zeer lange tijd de koffievoorziening verzorgde, onder toepassing van artikel 37 van het reglement kunnen besluiten om af te wijken van het bepaalde in artikel 14 en de nieuwe standplaats toe te wijzen door middel van loting. De rechtbank heeft terecht overwogen dat burgemeester en wethouders het belang van appellant sub 2 bij een nieuwe loting hebben miskend, nu appellant sub 2 niet langer persoonlijk voor toewijzing van de nieuwe standplaats in aanmerking wenste te komen. In het betoog van appellant sub 2 ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de in het besluit van 11 juli 2000 neergelegde mededeling, geen stand kan houden.

2.10. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Afdeling geen aanleiding. Wel dienen burgemeester en wethouders het door appellant sub 2 in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellante sub 3 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van appellant sub 2 gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 december 2001, nrs. GEMWT 01/735-STU en GEMWT 01/751-STU, voorzover de rechtbank daarbij, zelf voorziende, het bezwaar van appellant sub 2 tegen de in het besluit van 11 juli 2000 neergelegde mededeling dat toewijzing van de standplaats geschiedt door middel van loting, alsnog ongegrond heeft verklaard;

IV. verklaart het bezwaar van appellant sub 2 tegen bedoelde mededeling alsnog niet-ontvankelijk;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. gelast dat de gemeente Spijkenisse aan appellant sub 2 het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

45-383.