Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200202236/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202236/2.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant], gevestigd te [plaats],

en

burgemeester en wethouders van Wijchen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2001, kenmerk 01/7761, hebben verweerders aan appellante een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens overtreding van de ingevolge artikel 7 van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer voor de inrichting van appellante aan de [locatie] als nadere eis geldende geluidgrenswaarden, opgenomen in de voorschriften 6.1 en 6.2 van de voor de inrichting bij besluit van 26 oktober 1993 krachtens de Hinderwet verleende vergunning. De dwangsom is vastgesteld op € 13.613,00 per week dat niet aan de last wordt voldaan. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is gesteld op € 272.268,00. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 27 maart 2002, kenmerk 02/2949, verzonden op 28 maart 2002, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 21 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 juli 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door H.J.A. Derks, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Tevens is [partij] als belanghebbende omwonende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Vast staat dat de vigerende geluidgrenswaarden worden overschreden. Voorts staat vast dat deze geluidgrenswaarden worden overschreden door het laden en lossen van zeecontainers en het intern transport daarvan, de zogenoemde handling met containers. Verweerders waren derhalve bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.3. Appellante betoogt dat in het kader van het bestreden besluit geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden. Daartoe voert zij aan dat verweerders er onvoldoende rekening mee hebben gehouden dat gedurende de nachtperiode niet meer wordt gewerkt met containers en dat de dempers van de heftrucks reeds zijn aangepast, zodat de geluidbelasting daarvan is verminderd. Voorts wijst appellante er op dat een geluidmuur van acht meter hoog in de vorm van gestapelde containers kan worden geplaatst langs een deel van de erfgrens met een voldoende afschermende werking. Appellante stelt, onder verwijzing naar het in haar opdracht door het adviesbureau “Peutz & Associes” opgestelde akoestischonderzoek, dat met deze combinatie van maatregelen kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden. Naar haar mening is geen bouwvergunning nodig voor een dergelijke containerwand dan wel zou realisatie van een containerwand via een (tijdelijke) wijziging van het bestemmingsplan mogelijk zijn.

2.3.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat gedurende de nachtperiode geen handelingen met containers meer plaatsvinden onvoldoende is om af te zien van handhavend optreden. Voorts achten zij legalisatie van de met de vergunning strijdige activiteiten niet mogelijk. Verweerders zijn van mening dat voor een door appellante voorgestelde geluidmuur van drie lagen zeecontainers een bouwvergunning nodig is en dat een dergelijke geluidmuur vanwege de hoogte ervan strijdig is met het vigerende bestemmingsplan.

Bovendien bestaat er volgens verweerders onzekerheid over de geluiddichtheid van een containerwand vanwege de onvermijdelijke kieren tussen de containers en het in het kader van de reguliere werkzaamheden verplaatsen en vervangen van containers. Tevens stellen verweerders op grond van een in hun opdracht door “Adviesbureau de Haan” opgesteld onderzoek kan worden vastgesteld dat ook de voorgestelde geluidmuur een overschrijding van de piekgeluidgrenswaarden niet kan voorkomen. In het akoestischrapport van “Peutz & Associes” wordt, volgens verweerders, ten onrechte uitgegaan van een bronvermogen voor piekgeluiden van 120 dB(A) terwijl dit bureau zelf een bronvermogen van 126 dB(A) heeft gemeten. Ook wordt er, volgens verweerders, in het rapport ten onrechte geen rekening gehouden met de effecten van geluidreflecties.

Naar hun mening dienen de belangen van omwonenden die ernstige geluidhinder ondervinden zwaarder te wegen dan het belang van appellante bij het continueren van de met de vigerende vergunning strijdige situatie.

2.3.2. Gelet op het bovenstaande en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de door appellante voorgestelde geluidmuur van drie lagen zeecontainers niet zal kunnen voorkomen dat de betreffende geluidvoorschriften zullen worden overtreden. Verweerders hebben zich, de vraag daargelaten of de realisering van een dergelijke geluidmuur op basis van het bestemmingsplan mogelijk is, dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat legalisering van de onderhavige situatie niet mogelijk is. Tevens hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat oplegging van een last onder dwangsom een geëigend middel is om de overtreding van de geluidvoorschriften te beëindigen. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

315.