Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1454

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200204009/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204009/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 6 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het College van beroep voor de examens van de Open Universiteit.

1. Procesverloop

Bij brief van 26 juli 2000 heeft de Commissie voor de examens van de opleiding Nederlands recht van de Open Universiteit (hierna: de Examencommissie) namens een examinator van die opleiding aan appellant bericht dat hij op 4 juli 2000 niet heeft voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een tentamen van de cursus R25111, Recht en samenleving, en dat het door hem behaalde resultaat een 5 is.

Bij besluit van 15 november 2000 heeft het College van beroep voor de examens van de Open Universiteit (hierna: het College) het daartegen door appellant ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 november 2000 vernietigd.

Bij besluit van 19 september 2001 heeft het College het administratief beroep van appellant wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2002, verzonden op 13 juni 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 augustus 2002 heeft het College van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Zoetermeer, en het College, vertegenwoordigd door mr. R.A. Felix, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) kan een belanghebbende tegen beslissingen van examencommissies en examinatoren beroep instellen bij het college van beroep voor de examens.

Ingevolge artikel 7.61, tweede lid, van de WHW kan het beroep, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.

Ingevolge artikel 7.61, zesde lid, van de WHW vernietigt het college van beroep - indien het het beroep gegrond acht - de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van het geheel of gedeeltelijk vernietigde besluit een nieuw besluit te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Awb. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college van beroep kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.

2.2. Appellant kan niet worden gevolgd in het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 19 september 2001 voldoende deugdelijk is gemotiveerd.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 maart 2002, inzake 200103751/1, gepubliceerd in AB 2002, 348, JB 2002/142 en Gst. 2002, 7170, 2, kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb, wat betreft het aan de beslissing op administratief beroep ten grondslag liggende besluit van de examinator, door de bestuursrechter slechts worden beoordeeld of het College zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de WHW of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat voor een tentamenbeoordeling als motivering kan gelden het beoordeelde werk, voorzien van het totaal aantal punten én het aantal punten dat per vraag is behaald, in samenhang met de modelantwoorden en de gehanteerde beoordelingssleutel.

2.2.2. Met het oog hierop en gegeven het modelantwoord op de door appellant aan de orde gestelde tentamenvraag – van welk antwoord appellant kennis heeft genomen – en de daarin opgenomen verwijzing naar het cursusmateriaal, heeft het College zich terecht niet op het standpunt gesteld dat het in administratief beroep bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.2.3. Hoewel de rechtbank de beperkingen die artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb meebrengt, heeft miskend, is zij tot het juiste oordeel gekomen dat geen aanleiding bestaat voor vernietiging van de beslissing van het College.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. R.R. Winter, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

282-413.