Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200204221/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204221/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2001 heeft de gemeenteraad van Heythuysen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 15 en 30 oktober 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "De Bevelanden".

Het besluit van de gemeenteraad en de voorstellen van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 11 juni 2002, nr. 2002/24461, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 september 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2002, waar appellant in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door drs. C.J.H. Vanwersch-Maes, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is verschenen het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door mr. R. Osinga, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van 180 woningen ten noorden van de kern Heythuysen in de omgeving van de Noorderbaan, de In het Veld en de Vlasstraat.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Het beroep van appellant is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel dat voorziet in de bouw van woningen, en tegen de motivering waarmee goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden (UW)” dat ligt aan de oostelijke zijde van het plangebied. Appellant stelt dat de noodzaak van de uitbreiding van de woonbebouwing niet is aangetoond. Hij is van mening dat het buitengebied op een onevenredige wijze zal worden aangetast. Appellant vreest voorts voor waardevermindering van zijn woning. Hij vreest verder dat de gronden met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden (UW)” in de toekomst toch voor woningbouw zullen worden gebruikt, waardoor zijn woon- en leefgenot onevenredig zal worden aangetast. Appellant voert voorts aan dat de Noorderbaan in zijn huidige vorm ongeschikt en onveilig is om twee woongebieden te scheiden.

2.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat gezien de beperkte mogelijkheden van inbreiding binnen de gemeente Heythuysen, uitbreiding aan de noordzijde van de kern Heythuysen verantwoord is. Volgens de gemeenteraad kan hier een koppeling worden gelegd met de natuurontwikkeling, die een meerwaarde oplevert voor de nieuwe woonwijk. Hij heeft verder overwogen dat uitbreiding aan de zuidzijde van de kern Heythuysen niet mogelijk is omdat daar de Ecologische Hoofdstructuur van de Tungelroyse beek ligt.

2.5. Verweerders kunnen grotendeels instemmen met het standpunt van de gemeenteraad. Zij hebben hierbij overwogen dat uitbreiding in oostelijke en westelijke richting van de kern Heythuysen evenmin mogelijk is gezien de ligging van het Leudal met zijn natuurlijke en landschappelijke waarden in het oosten en de beoogde realisering van een bedrijventerrein in het westen. Daarom hebben zij geen reden gezien het gedeelte van het plan dat in woningbouw voorziet, in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben zij het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerders hebben echter wel strijd met een goede ruimtelijke ordening aanwezig geacht en daarom goedkeuring onthouden wat betreft bedoeld plandeel met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden (UW)” omdat zij op basis van de richtcijfers tot de conclusie zijn gekomen dat binnen de planperiode niet aan de uitwerkingsplicht kan worden voldaan.

2.6. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders niet het standpunt hebben kunnen innemen dat uitbreiding in het plan met 60 tot 70 woningen gewenst is. Hierbij is in aanmerking genomen dat de gemeente Heythuysen slechts beperkte inbreidingsmogelijkheden heeft ondanks de verplaatsing van de bedrijven uit de kern naar het beoogde bedrijventerrein ten westen van de kern, en dat de gemeente wat betreft het voor woningbouw bestemde plandeel dat is goedgekeurd, voldoet aan het richtcijfer voor woningbouw in de regio waarvan de gemeente deel uitmaakt.

De Afdeling deelt verder niet het standpunt van appellant dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van het buitengebied, aangezien de plandelen die in woningbouw voorzien, slechts gedeeltelijk zijn goedgekeurd en het plan voorziet in een landschappelijke structuur waardoor de nieuwe woonwijk een groen en dorps karakter krijgt. Daarnaast wordt de nieuwe woonwijk ter hoogte van de Noorderbaan aan het zicht onttrokken door grasweides met boomgroepen.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellant betreft, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat verweerders aan het plandeel met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden (UW)”, dat is gesitueerd tegenover de woning van appellant, goedkeuring hebben onthouden en dat het plan hier voorziet in een afschermende groenstrook.

Voor zover appellant vreest dat de gronden met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden (UW)” waaraan verweerders gedeeltelijk goedkeuring hebben onthouden, in de toekomst toch voor woningbouw zullen worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat bebouwing op dit oostelijk deel van het plangebied nu niet meer aan de orde is.

Ten aanzien van het bezwaar van appellant over de Noorderbaan overweegt de Afdeling dat deze openbare weg blijkens de plankaart buiten de grenzen van het plan ligt en derhalve niet in deze procedure aan de orde kan komen.

2.7. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening behalve wat betreft het plandeel met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden (UW)” waaraan verweerders goedkeuring hebben onthouden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht gedeeltelijk goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

177-427.