Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200201461/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 91 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201461/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 1 februari 2002 in het geding tussen:

[partijen], beiden wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2000 hebben appellanten een aanvraag van [partijen] om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2 van de Regeling Nadeelcompensatie hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden betrekking hebbende op dijkversterkingen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam, afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2001 hebben appellanten het daartegen door [partijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het

– ongedateerde – advies van de Awb hoor- en adviescommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 1 februari 2002, verzonden op 8 februari 2002, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [partijen] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 mei 2002 hebben [partijen] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten. Afschriften daarvan zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel, advocaat te Den Haag, en mr. A.R. Krijgsman, werkzaam bij het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, en [partijen], vertegenwoordigd door mr. R. Bonis, advocaat te Hardinxveld-Giessendam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De aanvraag van [partijen] om een schadevergoeding houdt verband met de dijkverbeteringswerkzaamheden die appellanten in 1998 en 1999 in het kader van de uitvoering van de Deltawet hebben verricht aan de bestaande dijk langs de Merwede in Hardinxveld-Giessendam.

De bestaande dijk is rivierwaarts verbreed en verlegd over een afstand van 30 m, gemeten van de oude kruin tot de nieuwe kruin. De kruin van de nieuwe dijk is met een hoogte van 5.55 m + NAP ongeveer 40 cm hoger dan de kruin van de oude dijk, die op 5.16 m + NAP lag. Over de nieuwe dijk, ongeveer ter plaatse van de oude rijbaan, is een nieuwe rijbaan met fietsstroken aan weerszijden aangelegd. Schuin tegenover het voormalige woonhuis van [partijen] is een parkeerterrein aangelegd. In een bocht nabij het woonhuis zijn enkele parkeervakken gemaakt.

2.1.1. [Partijen] hebben hun woning op 3 november 1999 verkocht voor een bedrag van ƒ 317.500,00/€ 144.075,22. Volgens [partijen] is hun voormalige woning in waarde gedaald, omdat het uitzicht over de Merwede is verminderd als gevolg van de verbreding en verhoging van de bestaande dijk.

2.2. Bij de beslissing op bezwaar hebben appellanten, in overeenstemming met het advies van de Awb hoor- en adviescommissie, het besluit van 18 december 2000, waarbij is besloten dat de door [partijen] gemelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, gehandhaafd. Aan laatstgenoemd besluit lagen de adviezen van 6 april en 25 september 2000 van de Commissie nadeelcompensatie dijkversterkingen Hardinxveld-Giessendam (hierna: Commissie nadeelcompensatie) ten grondslag.

Blijkens die adviezen is de Commissie nadeelcompensatie van mening dat de waardedaling van de woning ten gevolge van de vermindering van het uitzicht over de Merwede wordt gecompenseerd door de voordelen van de dijkversterking. Ook woningen op een dijk kunnen, in verband met het risico van overstroming daarvan, veiligheid ontlenen aan een dijkverzwaring. Daarbij komt dat ook de verkeersveiligheid voor en nabij de woning is verbeterd. Voorts is er op het erf rond de voormalige woning van [partijen] geen mogelijkheid auto’s te parkeren. Voorheen moest op de druk bereden weg over de dijk worden geparkeerd. De aangebrachte parkeervoorzieningen verschaffen zowel de omwonenden als hun gasten meer veiligheid bij parkeren en in- en uitstappen. Waar voorheen de auto voor de woning op straat werd geparkeerd, ging dit ten koste van het uitzicht, aldus de Commissie nadeelcompensatie.

2.3. Het hoger beroep richt zich allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat de conclusies van de Commissie nadeelcompensatie met betrekking tot de vergroting van de veiligheid van de woning en de verkeersveiligheid, niet deugdelijk zijn gemotiveerd.

2.3.1. De Commissie nadeelcompensatie is samengesteld uit deskundigen. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 30 november 1998, in zaak no. H01.97.0409/Q01 (AB 1999, 90), zijn inzichten van deskundigen in een geval als dit gebaseerd op kennis en ervaring. Een nadere onderbouwing van die inzichten kan dan ook niet in alle gevallen worden verlangd. Wel mag worden verlangd dat de gedachtegang van de Commissie nadeelcompensatie duidelijk en voldoende controleerbaar is en dat haar advies voldoende basis biedt voor verdere besluitvorming. Niet kan worden geoordeeld dat daaraan in dit geval niet is voldaan.

2.3.2. De Commissie nadeelcompensatie heeft in haar advies gewezen op een minder groot risico van evacuatie en andere maatregelen in geval van overstroming. Daaruit kan worden afgeleid dat de Commissie nadeelcompensatie niet alleen heeft bedoeld aan te geven dat bij een overstroming het water over de dijk en in de woning van [partijen], waarvan de onderbouw in en achter de dijk ligt, kon lopen, maar ook – zoals appellanten in (hoger) beroep hebben betoogd – dat het achterland kon onderlopen en als een kom onder water kon komen te staan, waardoor de bewoners van de woningen op de dijk – waartoe [partijen] behoorden – geïsoleerd konden raken en moeilijk een heenkomen zouden kunnen vinden. In deze situatie zouden [partijen] moeten worden geëvacueerd en zouden maatregelen moeten worden genomen om de woning tegen verzakken te beschermen. Door de dijkverhoging is de stabiliteit van de waterkering ook voor de woning verbeterd. De woning wordt aldus gevrijwaard van binnenkomend water en van verzakking. De Afdeling ziet - anders dan de rechtbank – niet in dat deze motivering ontoereikend is voor het oordeel dat de veiligheid van de woning is vergroot en evenmin waarom dit oordeel kwantificeerbaar zou moeten worden gemaakt.

2.3.3. De Commissie nadeelcompensatie heeft voorts aangegeven dat de verkeersveiligheid op de dijk is toegenomen doordat auto’s niet meer op de weg voor de woningen op de dijk hoeven te worden geparkeerd. Voorheen moest het doorgaande verkeer zich – naar appellanten hebben betoogd – om de geparkeerde auto’s heen slingeren. Vooral voor fietsers en voetgangers op de dijk betekende dat een gevaarlijke situatie. Door aparte parkeerplaatsen te creëren, is aan weerszijden van de weg ruimte vrijgekomen voor fietsstroken en is thans sprake van een scheiding van autoverkeer, fietsers en parkerend verkeer. Hierdoor is een overzichtelijker verkeersbeeld ontstaan, hetgeen de verkeersveiligheid ten goede is gekomen. Niet valt in te zien dat deze motivering niet de conclusie kan dragen dat de verkeersveiligheid is toegenomen, noch dat daarnaast nog een nadere onderbouwing nodig is in de vorm van een politierapport, zoals de rechtbank heeft overwogen. De overweging van de rechtbank dat het niet ondenkbaar is dat op de nieuwe dijk harder wordt gereden, doet, mede gezien de ter plaatse geldende maximaal toegestane snelheid van 50 km per uur, niet af aan het oordeel dat de verkeersveiligheid is verbeterd door een overzichtelijker verkeersbeeld.

2.4. Appellanten hebben voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Commissie nadeelcompensatie heeft nagelaten aan te geven wat de concrete voordelen van de dijkversterking zijn voor [partijen].

2.4.1. De Commissie nadeelcompensatie is uitgegaan van de mogelijkheid dat het nadeel als gevolg van uitzichtverlies is gecompenseerd met voordeel van algemene nutte, nu niet is uitgesloten dat ook daardoor de waarde van de woning wordt beïnvloed. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de Commissie nadeelcompensatie niet de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd.

De Commissie nadeelcompensatie heeft in haar advies een vergroting van de veiligheid van het wonen langs de dijk, een verbetering van de verkeersveiligheid voor en nabij de woning, en de parkeervoorzieningen nabij de woning genoemd als voordelen van de dijkversterking. Dat deze voordelen een algemeen karakter hebben, doet er niet aan af dat zij ook een positief effect hadden op de woonsituatie en de waarde van de voormalige woning van [partijen] en in zoverre ook voor hen individueel voordeel opleverden. De omstandigheid dat deze voordelen ook worden genoten door de woningen achter de dijk, staat hier los van. Het in het geval van [partijen] compenseren van nadeel met voordeel van algemene nutte leidt dan ook niet tot rechtsongelijkheid. De rechtbank heeft dit miskend.

2.5. Nu het door [partijen] overgelegde taxatierapport er geen blijk van geeft dat rekening is gehouden met de waardevermeerderende aspecten, is daaraan door appellanten terecht geen betekenis toegekend bij de beoordeling van het verzoek om toekenning van een schadevergoeding.

2.5.1. Voorzover [partijen] voorts in hun memorie vraagtekens hebben geplaatst bij de deskundigheid en onafhankelijkheid van de Commissie nadeelcompensatie, moet worden geoordeeld dat dit niet kan leiden tot het niet alsnog in stand laten van de beslissing op bezwaar. Nog daargelaten dat zij dit punt niet in beroep hebben aangevoerd, is in hoger beroep geen enkel argument van betekenis naar voren gebracht op grond waarvan de deskundigheid en onafhankelijkheid van de Commissie nadeelcompensatie in twijfel moet worden getrokken.

2.6. De conclusie is dat appellanten de beslissing om [partijen] geen vergoeding ten titel van nadeelcompensatie toe te kennen, in redelijkheid hebben kunnen baseren op de adviezen van de Commissie nadeelcompensatie. Het oordeel van de rechtbank dat de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen, is onjuist.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 1 februari 2002, Awb 01/678;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. H. Bekker en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

119-401.