Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200106058/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106058/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 1 november 2001 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 1999 heeft appellant aan [partij] krachtens de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: de Regeling) een tegemoetkoming toegekend.

Bij besluit van 16 februari 2001 heeft appellant het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 november 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 maart 2002 heeft [partij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld van [gemachtigde], en [partij] in persoon, bijgestaan door mr. J.J.R. Albicher, advocaat te Goes, zijn verschenen.

Daarna heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van appellant en [partij]. Afschriften hiervan zijn aan de desbetreffende andere partij toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nieuwe behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en ongevallen (hierna: de Wet), voorzover thans van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in onder meer de volgende categorieën van schaden, voorzover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet van toepassing is verklaard, alsmede in onder meer de volgende categorieën van kosten die daarmee verband houden: (…)

e. de teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan als gevolg van het niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen; (...).

2.2. Ingevolge artikel 14 van de Regeling, voorzover thans van belang, wordt de schadetermijn voor teeltplanschade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de Wet, gerekend vanaf 13 september 1998 tot het moment waarop het bedrijf redelijkerwijs in staat moet worden geacht op zijn normale productieniveau te werken, rekening houdend met de geteelde gewassen, doch maximaal tot een periode van 52 weken.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Regeling, voorzover thans van belang, kan, indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een melding is gedaan, ter zake van schade die niet eerder kon worden vastgesteld of gewaardeerd, een tweede melding worden gedaan voor 1 augustus 1999.

2.3. Bij het besluit van 6 mei 1999 heeft appellant aan [partij] krachtens de Regeling een tegemoetkoming toegekend, waarvan de hoogte is berekend aan de hand van de bij een taxatiebezoek op 26 oktober 1998 door het Bureau Coördinatie Expertiseorganisaties (hierna: BCE) geregistreerde schade. Uit het taxatierapport blijkt dat BCE de schade van [partij] aan het gewas winterbloemkool ten gevolge van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998 heeft gesteld op 10%.

[Partij] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat eind maart 1999 De Landbouwvoorlichting (hierna: DLV) in zijn opdracht de schade aan het gewas winterbloemkool heeft getaxeerd en deze blijkens een door [partij] overgelegd rapport op 75% heeft geraamd.

Bij besluit van 28 april 2000 heeft appellant op basis van een nader advies van BCE besloten het schadepercentage van 10 te handhaven, omdat in het DLV-rapport de gestelde schade geweten werd aan de ongunstige omstandigheden tijdens het najaar van 1998 en aan de volledige verwoesting van de structuur van het perceel waarop de winterbloemkool stond. Appellant heeft gemeend dat deze passage uit het DLV-rapport niet alleen betrekking heeft op 13 en 14 september 1998, maar op het hele najaar, zodat uit dat rapport niet kan worden afgeleid dat de aangeduide schade het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van de extreme regenval van 13 en 14 september 1998.

Bij de hernieuwde beslissing op bezwaar heeft appellant aangegeven met BCE te blijven uitgaan van “een normale uitval van 10%”.

In beroep heeft [partij] aangevoerd dat BCE op geen enkele wijze kan onderbouwen, waarom slechts 10% van de schade aan het gewas winterbloemkool een gevolg zou zijn van de extreem zware regenval.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zonder deugdelijke grondslag het gewas winterbloemkool van een tweede taxatie heeft uitgesloten en daardoor de schadetermijn, als bedoeld in artikel 14 van de Regeling, ongemotiveerd heeft beperkt, waardoor de schade aan voornoemd gewas in strijd met artikel 4, eerste lid, onder e, van de Wet is vastgesteld. Hierbij heeft de rechtbank zich gebaseerd op een brief van 21 december 1998, waarin appellant heeft medegedeeld dat, indien sprake is van vorstschade ten gevolge van de vorst in november 1998 en deze schade direct gerelateerd is aan de extreme wateroverlast, een tweede taxatie mogelijk is. Onder meer het gewas winterbloemkool is van een tweede taxatie uitgesloten, dit naar het oordeel van de rechtbank op ondeugdelijke gronden, nu appellant enkel heeft aangevoerd en niet nader onderbouwd dat na de vorst niet meer kon worden vastgesteld of de schade aan het gewas winterbloemkool het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg was van de extreme regenval op 13 en 14 september 1998 en appellant ter zitting niet weersproken heeft gesteld dat consumptieaardappelen, waarvoor wel een tweede taxatie is uitgevoerd, eveneens vorstgevoelig zijn.

Hiertegen richt zich het hoger beroep.

2.5. De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat winterbloemkool een vorstgevoelig gewas is. Uit de stukken blijkt en door [partij] is niet weersproken dat winterbloemkool in redelijke mate vorst kan verdragen. Gebleken is dat winterbloemkool medio augustus geplant wordt en in het volgende voorjaar wordt geoogst. Derhalve moet worden aangenomen dat dit gewas bestand is tegen winterse omstandigheden.

Bovendien is gebleken dat de brief van 21 december 1998 uitsluitend ziet op een tweede taxatie ten gevolge van de vorst in november 1998. Daarvan is te onderscheiden een tweede taxatie op de voet van artikel 16, vierde lid, van de Regeling, die ziet op schade die niet eerder kon worden vastgesteld of gewaardeerd. Niet is gebleken dat bij de brief van 21 december 1998 een tweede taxatie op grond van voormelde bepaling is uitgesloten. Dit heeft de rechtbank miskend.

Voorts staat vast dat appellant ten aanzien van de winterbloemkool van [partij] op 30 november 2000 alsnog een tweede taxatie heeft uitgevoerd. De overweging van de rechtbank dat appellant het gewas winterbloemkool van een tweede taxatie heeft uitgesloten en daardoor de schadetermijn, als bedoeld in artikel 14 van de Regeling, heeft beperkt, is derhalve onjuist.

2.6. In de herziene beslissing op bezwaar is het schadepercentage van 10, onder verwijzing naar de eerste beslissing op bezwaar van 28 april 2000 en naar het deskundig oordeel van de BCE ter zake, waaruit zou moeten blijken dat aan het gewas winterbloemkool geen vervolgschade meer mogelijk is, gehandhaafd. Daarop heeft appellant zich in hoger beroep ook beroepen. Het advies, noch het deskundig oordeel van BCE, heeft appellant echter na de heropening van het onderzoek door de Afdeling, hoewel daarom verzocht, overgelegd. De memo's van BCE van 23 maart 2000, 23 januari en 6 februari 2001, waarnaar appellant heeft verwezen, betreffen niet de gevraagde stukken en de door hem overgelegde stukken van BCE van 16 mei en 24 juli 2002 dateren van na het nemen van de beslissing op bezwaar.

Mede in aanmerking genomen dat de taxatierapporten van BCE, waarop appellant zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd, summier zijn, moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar onvoldoende steun vindt in voor kennisneming en bestrijding vatbare standpunten van de BCE en derhalve niet op een deugdelijke motivering berust.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep terecht, zij het niet op juiste gronden, gegrond heeft verklaard.

2.7. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.8. Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de door [partij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 687,76, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan [partij] te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr M. Vlasbom en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

119-408.