Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200202052/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202052/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 1 maart 2002 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 1998 hebben appellanten aan [partij] op grond van de Regeling Nadeelcompensatie hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden betrekking hebbende op dijkversterkingen in de gemeente Papendrecht (hierna: de Regeling) een bedrag aan te vergoeden schade toegekend van ƒ 22.525,00/€ 10.221,310 ter zake van kosten van een vervangende ligplaats.

Bij besluit van 30 maart 1999 hebben appellanten het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en hem om redenen van redelijkheid en billijkheid een vergoeding ter zake van deskundigenkosten toegekend ten bedrage van ƒ 1.500,00/€ 680,67. Dit besluit en het – ongedateerde – advies van de Awb hoor- en adviescommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 1 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellanten met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 13 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juni 2002 heeft [partij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel, advocaat te Den Haag, en mr. A.R. Krijgsman, werkzaam bij het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, en [partij] in persoon, met bijstand van mr. J. van Beest, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In 1982 is [partij] een eenmanszaak onder de [naam] begonnen op het toenmalige perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nr. […]. Op 5 september 1991 heeft [partij] het perceel, dat hij aanvankelijk huurde, gekocht. Het perceel ligt aan de Gantel en stond in open verbinding met de Noord.

2.1.1. Op 15 oktober 1991 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat de in het kader van de Deltawet door appellanten uit te voeren dijkversterkingswerken vastgesteld, welke voorzagen in afdamming van de Gantel ter hoogte van de Noord. In november 2000 is de Gantel feitelijk afgesloten voor verkeer over water.

2.1.2. In 1992 heeft [partij] het bedrijf verbouwd, de vervuilde grond op het perceel gesaneerd en de twee scheepshellingen, die hij gebruikte voor het verrichten van kleine reparaties aan boten, verwijderd.

Volgens [partij] heeft hij de scheepshellingen verwijderd in het vooruitzicht van de afsluiting van de Gantel. Als gevolg hiervan heeft hij jaarlijks gemiddeld ƒ 35.000,00/€ 15882,31 aan inkomsten uit reparatiewerkzaamheden aan boten misgelopen. Dit verlies dient zijns inziens voor vergoeding in aanmerking te komen.

2.2. Bij de beslissing op bezwaar hebben appellanten, in overeenstemming met het advies van de Awb hoor- en adviescommissie en voorzover hier van belang, de weigering om [partij] ten titel van nadeelcompensatie een schadevergoeding toe te kennen, wegens gemaakte sloopkosten en gederfde inkomsten als gevolg van de sloop van de scheepshellingen en wegens de waardevermindering van zijn perceel, gehandhaafd. Aan die beslissing hebben appellanten het advies van 14 juni 1998 van de Commissie nadeelcompensatie dijkversterking Papendrecht (hierna: Commissie nadeelcompensatie) ten grondslag gelegd.

2.3. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat in het advies van de Commissie nadeelcompensatie niet of nauwelijks objectieve aanknopingspunten worden genoemd voor de juistheid van de stelling dat [partij] uit vrije wil en om andere dan bedrijfseconomische redenen tot sloop van de scheepshellingen is overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de conclusies van de Commissie nadeelcompensatie op dit onderdeel in feite gebaseerd op niet onderbouwde veronderstellingen en aannames en hadden appellanten in zoverre het advies van de Commissie nadeelcompensatie niet mogen overnemen.

2.3.1. Volgens de Commissie nadeelcompensatie was er op het perceel op de peildatum – 15 oktober 1991 – geen sprake van bedrijfsactiviteiten van betekenis, die afhankelijk waren van een ligging aan het water of waarvoor vervoer over water een rol van betekenis speelde naast vervoer over de weg. Van de reparaties die [partij] in de jaren 1988-1992 aan boten uitvoerde, zijn per jaar gemiddeld ongeveer zeven reparaties op de scheepshellingen uitgevoerd. De bonnen die [partij] heeft overgelegd met betrekking tot de reparaties, laten zien dat hij in die periode in geen enkel jaar een omzet van ƒ 35.000,00/€ 15882,31 heeft gehaald uit werkzaamheden op de hellingen. De Commissie nadeelcompensatie heeft voorts – kort gezegd – aangegeven dat [partij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na de vernieuwing van zijn bedrijf in 1992 wilde doorgaan met werkzaamheden die hij vóór 1992 op de hellingen uitvoerde. De mogelijkheid om met gebruikmaking van een – relatief goedkope – kraan reparaties aan boten te blijven uitvoeren, heeft hij niet benut. [Partij] heeft het pand, waarin hij zijn kantoor en showroom had, verbouwd tot een woonhuis en het opzij- en achtergelegen terrein als tuin ingericht. In 1995 heeft hij dit woonhuis aan zijn echtgenote verkocht. Als gevolg van deze verbouwing was voor reparaties aan boten, zoals die vroeger op de hellingen plaatsvonden, feitelijk geen of onvoldoende ruimte meer.

Het vorenoverwogene biedt voldoende basis voor het standpunt van appellanten, dat [partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de afsluiting van de Gantel de voornaamste reden is geweest om de scheepshellingen te slopen. Appellanten mochten het er dan ook voor houden dat de beweerdelijk geleden schade in de vorm van sloopkosten van de scheepshellingen en omzetderving niet het directe gevolg daarvan is. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat appellanten het advies van de Commissie nadeelcompensatie op deze onderdelen niet in redelijkheid hebben kunnen overnemen.

2.4. Voorzover de rechtbank heeft overwogen dat [partij] de beslissing op bezwaar betwist op het punt dat hij door afsluiting van de Gantel geen ligplaatsen meer kan verhuren, moet worden vastgesteld dat dit niet als grond in zijn (aanvullend) beroepschrift valt te lezen.

Het betoog van [partij] in beroep dat bij de beslissing op bezwaar ten onrechte geen rekening is gehouden met de waardevermindering van zijn perceel, faalt. In het advies van de Commissie nadeelcompensatie is, gelet op (de verwachtingen omtrent) het gebruik ten tijde van de peildatum, op goede gronden aangegeven waarom deze nader aangevoerde waardeverminderingsmogelijkheid buiten beschouwing kan blijven.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 1 maart 2002, Awb 99/648;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. H. Bekker en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

119-401.