Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200200933/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200933/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 3 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Borne.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders van Borne (hierna: burgemeester en wethouders) appellant aangeschreven voor 1 juni 2000 de op het perceel [locatie] te [plaats] staande woonwagen te verwijderen en het perceel in oude staat terug te brengen. Zij hebben tevens aan appellant een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op ƒ 100,00/€ 45,38 per dag dat aan de aanschrijving niet is voldaan. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op ƒ 5.000,00/€ 2.268,90. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 16 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders, voorzover hier van belang, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 januari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 februari 2002, als faxbericht bij de Raad van State ingekomen dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.J.G. Pieper, advocaat te Nijverdal, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. W.H.F. Gerritsen en ing. J. de Vries, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroepschrift is gericht tegen het gedeelte van de uitspraak van de rechtbank dat betrekking heeft op de door burgemeester en wethouders aan appellant opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot de op het perceel [locatie] te [plaats] staande woonwagen.

2.2. Appellant betoogt dat zijn woonwagen geen bouwwerk in de zin van de Woningwet is.

2.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Gelet op de omvang, de constructie en het door het gebruik bepaalde plaatsgebonden karakter ervan heeft de rechtbank terecht overwogen dat de woonwagen die reeds sinds juni 1998 ter plaatse aanwezig is, is aan te merken als een bouwwerk in de zin van Woningwet. Vast staat dat appellant de woonwagen heeft geplaatst zonder dat hij over een bouwvergunning daarvoor beschikte. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd appellant de last onder dwangsom op leggen. Het betoog van appellant faalt.

2.4. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders geen juiste belangenafweging hebben verricht, aangezien zij bij het opleggen van de last onder dwangsom geen rekening hebben gehouden met het door appellant ingediende verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, welk verzoek nog bij hen in behandeling is. Hij voert tevens aan dat de woonwagen nodig is voor de tijdelijke opslag van zaken uit zijn horecabedrijf gedurende de verbouwing.

2.5. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen illegale situaties. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.

2.6. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Zenderen”. Het perceel van appellant heeft ingevolge dit plan de bestemming “openbaar groen en plantsoen”. Het plaatsen van de woonwagen is hiermee in strijd. Weliswaar bevat artikel 3, onder c, van de planvoorschriften een mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van deze bestemming, maar daarvan kan ten behoeve van de woonwagen geen gebruik worden gemaakt. Derhalve bestaat op grond van dit bestemmingsplan geen mogelijkheid de woonwagen alsnog te legaliseren.

Appellant heeft een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bij burgemeester en wethouders ingediend. Burgemeester en wethouders hebben dit verzoek bij hun besluit van 16 oktober 2000 tot handhaving van de last onder dwangsom afgewezen. De Afdeling ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze weigering onredelijk of anderszins onjuist is. De Afdeling neemt hierbij mede in aanmerking dat appellant heeft aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat de woonwagen sinds juni 1998 tot heden nodig was voor de tijdelijke opslag van zaken uit zijn horecabedrijf. Er bestond derhalve geen concreet zicht op legalisering van de woonwagen. Het betoog van appellant faalt.

2.7. Appellant doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel door te stellen dat burgemeester en wethouders niet optreden tegen andere illegaal geplaatste woonwagens in de gemeente Borne. Hij betoogt dat de rechtbank er hierbij ten onrechte van uit is gegaan dat burgemeester en wethouders een stringent beleid voeren inzake het verwijderen van illegaal geplaatste woonwagens.

2.8. Burgemeester en wethouders voeren aan dat zij in beginsel optreden tegen illegale situaties, maar dat daar in concrete gevallen van kan worden afgeweken. Zij hebben gemotiveerd uiteengezet waarom de door appellant genoemde gevallen niet gelijk zijn aan de situatie rond zijn woonwagen. Appellant heeft geen gegronde reden genoemd waarom in het voorliggende geval zou moeten worden afgeweken van de door burgemeester en wethouders gevolgde gedragslijn. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Voorzover appellant in dit verband nog verwijst naar een wagen die op het terrein van de brandweerkazerne is geplaatst en die dienst doet als kantoor, overweegt de Afdeling dat deze wagen, naar uit de stukken is gebleken, niet in strijd is met het bestemmingsplan. Deze wagen is derhalve reeds hierom niet gelijk te stellen aan de woonwagen van appellant.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

164.