Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200202302/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202302/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem van 20 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2001 heeft de burgemeester van Haarlem (hierna: de burgemeester) op basis van artikel 13b van de Opiumwet (hierna: de wet) appellant op straffe van bestuursdwang bevolen de door hem in het pand [locatie] te [plaats] geëxploiteerde [horeca-inrichting] wegens de verkoop van softdrugs met ingang van 7 juni 2001 tot en met 6 december 2001 te sluiten.

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de burgemeester het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat de sluiting van de horeca-inrichting is opgelegd voor de periode van

1 maart 2002 tot en met 31 augustus 2002. Dit besluit en het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 5 december 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 20 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 augustus 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2002, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.E. Biezenaar, advocaat te Haarlem, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de wet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van die wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2. Met juistheid heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op grond van de stukken van het politie-onderzoek voldoende aannemelijk is geworden dat in de horeca-inrichting van appellant softdrugs aanwezig waren ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking, als bedoeld in artikel 13b, van de wet, zodat de burgemeester tot toepassing van bestuursdwang bevoegd was.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Daarvan kan sprake zijn indien concreet uitzicht bestaat op legalisering.

De burgemeester voert ten aanzien van coffeeshops een beleid dat neergelegd is in de nota Beleid Coffeeshops (laatstelijk gewijzigd op 11 mei 1999). Dit beleid houdt in dat maximaal 15 coffeeshops, onder strenge criteria, worden gedoogd. Deze coffeeshops worden bij naam genoemd in de bij de nota gevoegde bijlage 3. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid tot het vaststellen van dit beleid heeft kunnen komen. De door appellant geëxploiteerde coffeeshop staat niet op de lijst van gedoogde coffeeshops. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat sprake is van concreet uitzicht op legalisering van de coffeeshop van appellant.

2.4. Appellant heeft overigens niet zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd dat de burgemeester op grond daarvan van sluiting had behoren af te zien.

2.5. Het betoog van appellant dat het beroep tegen een beslissing op bezwaar van 13 december 2001, welke beslissing een gelijke inhoud heeft als voormelde beslissing op bezwaar van 15 januari 2002, door de voorzieningenrechter is genegeerd, treft geen doel. Gebleken is dat de rechtbank te Haarlem bij uitspraak van 13 mei 2002 in zaak no. 02/174, het beroep tegen voornoemd besluit kennelijk ongegrond heeft verklaard. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

91-421.