Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200106348/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106348/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats];

2. [appellanten sub 2] gevestigd te [plaats];

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 15 november 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Goes.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders van Goes (hierna: burgemeester en wethouders) appellante sub 2 onder oplegging van een dwangsom gelast de aanvoer van mest naar de mestzak op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) evenals het (doen) uitrijden van mest vanuit genoemde mestzak naar landbouwgronden te staken. Onder oplegging van een separate dwangsom hebben zij bij dat besluit [appellanten sub 2] tevens gelast de mestzak te verwijderen.

Bij afzonderlijk besluit van 21 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders appellante sub 1 onder oplegging van een dwangsom geboden niet meer toe te staan dat het perceel wordt gebruikt voor mestopslag en mestdistributie-activiteiten en om de mestzak te (laten) vullen met meer dan 1250 m³ mest en/of de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid dan 1250 m³. Onder oplegging van een separate dwangsom hebben zij bij dat besluit [appellanten sub 1] tevens gelast de mestzak te verwijderen.

Bij besluit van 24 december 1997 hebben burgemeester en wethouders het tegen deze besluiten door appellanten gezamenlijk gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en, onder herroeping in zoverre van hun besluiten van 21 juli 1997, [appellanten sub 1] – kort weergegeven - verboden vanaf 1 oktober 1997 toe te staan de mestzak te (laten) vullen met meer dan 1250 m³ en/of de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid dan 1250 m³ toe te staan en appellanten gelast de mestzak hetzij te verwijderen hetzij zodanig aan te passen dat de inhoud daarvan niet groter zal zijn dan 1250 m³. Tevens hebben zij daarbij, onder herroeping in zoverre van hun besluiten van 21 juli 1997, bepaald dat appellanten hoofdelijk, met dien verstande dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, een dwangsom zullen verbeuren van ƒ 3.000,00 met een maximum van ƒ 300.000,00 voor elke dag dat de mestzak niet is verwijderd dan wel de capaciteit daarvan niet overeenkomstig de last is teruggebracht, welke dwangsom zes weken na het onherroepelijk worden van het besluit voor het eerst zal worden verbeurd. Dit besluit is aangehecht. Voor het overige hebben zij het bezwaar ongegrond verklaard en de vermelde primaire besluiten gehandhaafd.

Bij uitspraak van 15 november 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit dienen te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 21 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 29 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” is het perceel aangewezen voor “Agrarische doeleinden, klasse B”.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor “Agrarische doeleinden, klasse B, C, en D” aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor akkerbouw, veeteelt, tuinbouw, fruitteelt, bloemkwekerij en bosbouw met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gebouwen, andere bouwwerken en gronden te gebruiken in strijd met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.

2.2. Vaststaat dat [appellanten sub 2] een mestdistributiebedrijf exploiteert en dat zij met [appellanten sub 1] een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan zij gerechtigd is tot het gebruik van de overcapaciteit van de door haar geplaatste mestzak. Het perceel waarop de mestzak is geplaatst is eigendom van [appellanten sub 2], statutair directeur en grootaandeelhouder van [appellanten sub 2], die het verhuurd heeft aan [appellanten sub 1].

2.3. Appellanten betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de mestzak is aan te merken als een werk dat als zodanig niet onder de werking van het gebruiksverbod valt. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 21 januari 1999, inzake no. H01.98.0931, gepubliceerd in

AB 1999, 297, heeft geoordeeld is het gebruik van deze mestzak voor handel en opslag van mest ten behoeve van derden in strijd met de aan de grond gegeven bestemming en dus verboden.

2.4. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte de last tot het verminderen van de capaciteit van de mestzak dan wel het verwijderen daarvan hebben gebaseerd op overtreding van vermeld artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften. Deze bepaling stelt volgens appellanten geen beperkingen aan de inhoud van de mestzak.

Dit betoog treft doel. Een mestzak op het perceel ten behoeve van een akkerbouwbedrijf is niet in strijd met de geldende bestemming. [appellanten sub 1] gebruikt de mestzak in overeenstemming met die bestemming. In de planvoorschriften zijn geen nadere vereisten gesteld aan de inhoud of omvang van deze mestzak. Nu het verminderen van de capaciteit dan wel het verwijderen van de mestzak tot gevolg zou hebben dat het gebruik van deze mestzak overeenkomstig de bestemming door [appellanten sub 1] niet meer mogelijk is, waren burgemeester en wethouders niet bevoegd tot het doen uitgaan van een daarop gerichte last. De rechtbank heeft dat miskend.

2.5. Uit artikel 5:32, eerste lid, van de Awb volgt dat slechts aan de overtreder een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan [appellanten sub 1] niet als overtreder van het gebruiksverbod van artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften worden aangemerkt. Burgemeester en wethouders waren dan ook niet bevoegd hem een last onder dwangsom op te leggen. De rechtbank heeft gelet hierop ten onrechte het aan [appellanten sub 1] gerichte dwangsombesluit (gedeeltelijk) in stand gelaten.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. Nu de aangevallen uitspraak evenwel reeds strekt tot vernietiging van de beslissing op bezwaar moet deze - voorzover aangevochten – met verbetering van gronden worden bevestigd. Bij besluit van 12 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders reeds opnieuw beslist op het bezwaar van appellanten. Dat besluit moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zodat het hoger beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, geacht moet worden mede daartegen te zijn gericht. Gelet op het vorenoverwogene is het daartegen ingestelde beroep eveneens gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd. Met inachtneming van de verbeterde gronden, als hiervoor aangegeven, moeten burgemeester en wethouders opnieuw voorzien op het bezwaar van appellanten.

2.7. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 12 februari 2002, kenmerk UTH/bbv 970140, gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. bepaalt dat burgemeester en wethouders met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beslissen op het bezwaar van appellanten;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Goes in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Goes te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Goes aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.A. Terwee-van Hilten, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Terwee-van Hilten w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

27-412.