Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF1424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
200100126/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200100126/1.

Datum uitspraak: 4 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2] Projectontwikkeling B.V., gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3a], wonend te [woonplaats], [appellanten sub 3b], wonend te [woonplaats] en [appellant sub 3c], wonend te [woonplaats] (België),

4. burgemeester en wethouders van Blaricum,

5. burgemeester en wethouders van Huizen,

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b], gevestigd te [plaats],

8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats],

9. maatschap [appellanten sub 9], gevestigd te [plaats],

10. Stichting Kavel Nieuwbouw Groep, gevestigd te Weesp,

en

provinciale staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Verweerders hebben in hun vergadering van 12 oktober 1998 vastgesteld het streekplan Gooi en Vechtstreek.

Tegen dit besluit hebben onder meer appellanten, met uitzondering van [appellante sub 2] Projectontwikkeling B.V., [appellanten sub 3b] en [appellant sub 3c], bezwaar gemaakt bij verweerders.

Bij besluit van 18 september 2000 hebben verweerders, onder heroverweging van hun besluit van 12 oktober 1998, op de bezwaarschriften beslist. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 1 november 2001 hebben gedeputeerde staten van Noord-Holland een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 3a], [appellant sub 6], [appellant sub 8], maatschap [appellanten sub 9] en gedeputeerde staten van Noord-Holland. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellante sub 2] Projectontwikkeling B.V., burgemeester en wethouders van Huizen en [appellant sub 6] zijn niet verschenen.

Ook verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Algemeen

2.1. Op 3 april 2000 is in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302). Uit artikel VI, tweede en derde lid, van deze wet volgt dat dit geschil, nu het besluit tot vaststelling van het plan is bekend gemaakt vóór 3 april 2000, wat betreft de mogelijkheid van het maken van bezwaar en het instellen van beroep moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het streekplan Gooi en Vechtstreek is een integrale herziening van het gelijknamige streekplan uit 1985. Het beschrijft de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het streekplangebied voor de periode 1998-2010. Bij het bestreden besluit hebben verweerders de tegen het vastgestelde streekplan gemaakte bezwaren deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels gegrond verklaard en naar aanleiding daarvan het streekplan gewijzigd overeenkomstig een bij dit besluit behorende Nota van Wijzigingen.

2.3. Ingevolge artikel 4a, zevende lid in samenhang met het zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan, voor zover een of meer onderdelen van een streekplan zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, een ieder tegen een besluit tot vaststelling, herziening of intrekking van een streekplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Mede gezien de ontstaansgeschiedenis van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (TK 1992-1993, 22 495, nr. 6, p. 69) stelt de Afdeling vast dat een streekplan (of een partiële herziening daarvan) in beginsel een indicatief karakter draagt. Het bevat immers met name elementen, die niet zo zeer een finaal oordeel inhouden over concrete vormen van grondgebruik, maar de doelstellingen, randvoorwaarden, prioriteiten en samenhangen van het provinciale beleid aangeven. Zij kunnen niet worden aangemerkt als besluiten als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.1. Wil een plandeel desalniettemin aangemerkt kunnen worden als een besluit in laatstbedoelde zin dan dient dit naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de in de wetsgeschiedenis in dit verband gebruikte term "concrete beleidsbeslissing", wat betreft drie te onderscheiden aspecten een voldoende mate van concreetheid te bezitten. Ten eerste dient het plandeel concreet tot uitdrukking te brengen dat verweerders, als verantwoordelijk bestuursorgaan, ten tijde van de planvaststelling hebben beoogd met het desbetreffende plandeel een afgewogen, finale beslissing te nemen. Ten tweede dient de plaats of het gebied waarvoor deze beslissing geldt voldoende concreet te zijn bepaald. Ten derde moet het beoogde project of de ruimtelijke ingreep voldoende concreet zijn aangegeven. Omtrent de laatste twee criteria overweegt de Afdeling dat de aard van projecten of ingrepen enerzijds en de plaats of het gebied waar deze zijn gedacht anderzijds, vaak zodanig samenhangen dat de vereiste mate van concreetheid in onderling verband zal moeten worden bezien.

2.3.2. Uit het voorgaande volgt dat alleen tegen onderdelen van het streekplan die zijn aan te merken als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, beroep kan worden ingesteld.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient - behoudens een aantal uitzonderingen - degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan tegen een beslissing op het bezwaar beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.

Uit het eerste lid van artikel 7:1, voornoemd, volgt dat ook de mogelijkheid tot het maken van bezwaar alleen openstaat tegen onderdelen van het streekplan die zijn aan te merken als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.3. Volgens vaste jurisprudentie behelst een beslissing op een bezwaarschrift als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling en is dus zonder meer aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Of het bezwaarschrift zelf ontvankelijk is, is voor de ontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing op dat bezwaarschrift daarom niet van belang.

Wel dient de Afdeling de vraag te beantwoorden of verweerders bij het nemen van de beslissingen op de bezwaarschriften tot een juist oordeel over de ontvankelijkheid van de bezwaren zijn gekomen.

Een beslissing op een bezwaar dat geen betrekking heeft op een streekplanonderdeel dat is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, dient een niet-ontvankelijkverklaring in te houden van het desbetreffende bezwaar.

2.3.4. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vindt indien het bezwaar ontvankelijk is op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt.

Gelet op het vorenstaande konden verweerders in hun beslissing op bezwaar slechts wijzigingen aanbrengen in onderdelen van het streekplan die zijn aan te merken als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en waartegen bezwaar is gemaakt.

Voorzover wijzigingen zijn aangebracht in streekplanonderdelen die geen besluit zijn of waartegen geen bezwaar is gemaakt, moeten deze wijzigingen naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als een beslissing in primo tot herziening van het streekplan.

Zo'n herziening van het streekplan kan op zichzelf een besluit als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht inhouden.

Gezien het bepaalde in artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht zal de Afdeling, indien zo'n herziening wordt aangemerkt als een besluit in laatstbedoelde zin, een hiertegen gericht beroepschrift doorzenden aan verweerders ter behandeling als bezwaarschrift.

Indien zo'n herziening niet als zodanig wordt aangemerkt staat daartegen ook geen mogelijkheid open om bezwaar te maken, zodat doorzending van het beroepschrift achterwege blijft. De Afdeling zal zich in dat geval onbevoegd verklaren om van het beroep kennis te nemen.

De Afdeling overweegt ten overvloede dat dergelijke herzieningen van het streekplan, ongeacht of deze besluiten zijn als bedoeld in artikel 4a, zevende lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, niet tot stand zijn gekomen volgens de in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven procedure.

2.3.5. Waar in het vervolg gesproken wordt over “het streekplan” wordt bedoeld het op 12 oktober 1998 door verweerders vastgestelde streekplan en de overeenkomstig de Nota van Wijzigingen daarin aangebrachte wijzigingen.

Het beroep van [appellante sub 2] Projectontwikkeling B.V.

2.4. Het beroep van [appellante sub 2] Projectontwikkeling B.V. richt zich tegen de bebouwingsmogelijkheden van Aetsveld-West bij Weesp. Appellante acht een maximaal bebouwingspercentage van 5 voor nieuwe buitenplaatsen te gering. Zij wenst dat een ruimer criterium wordt gehanteerd.

2.4.1. In het streekplan is, voorzover hier van belang, ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe buitenplaatsen het volgende bepaald (pag. 43 en 44):

”Voor de ontwikkeling van nieuwe buitenplaatsen zien wij meer mogelijkheden. Uitgangspunt daarbij is dat buitenplaatsen daar komen waar behoefte is aan groenontwikkeling en mogelijkheden voor openluchtrecreatie. Ook kunnen deze buitenplaatsen een functie vervullen voor wonen en werken. (…)

De volgende criteria zijn van toepassing op nieuwe buitenplaatsen:

- Het oppervlak is 2 tot 5 ha.

- Ten minste 80% van het buiten moet een groene inrichting hebben en openbaar toegankelijk zijn. Het bebouwde gedeelte is niet meer dan 5%.

(…)

Nieuwe buitenplaatsen zullen met name ontwikkeld kunnen worden aan de rand van bestaande stedelijke gebieden – zoals bijvoorbeeld Aetsveld-West bij Weesp.”

De Afdeling leidt uit het voorgaande af dat de locaties die voor de ontwikkeling van buitenplaatsen in aanmerking komen nog nader moeten worden vastgesteld en dat Aetsveld-West bij Weesp in dit verband slechts als mogelijke locatie is genoemd.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders over de ontwikkeling van buitenplaatsen in Aetsveld-West bij Weesp geen afgewogen, finale beslissing hebben genomen.

Dit planonderdeel is daarom geen besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

[appellante sub 2] Projectontwikkeling B.V. heeft tegen het streekplan geen bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Het planonderdeel is bij het bestreden besluit niet gewijzigd, zodat de vraag niet hoeft te worden beantwoord of het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift aan verweerders moet worden doorgezonden.

De Afdeling is onbevoegd om van dit beroep kennis te nemen.

Het beroep van maatschap [appellanten sub 9]

2.5. Het beroep van maatschap [appellanten sub 9] richt zich tegen het aanwijzen van de Horstermeerpolder als natuurkerngebied, voorzover het betreft het gedeelte waarin landerijen van haar agrarisch bedrijf liggen. Zij vreest dat zij door deze aanwijzing haar agrarische bedrijfsactiviteiten zal moeten beëindigen.

2.5.1. Op de streekplankaart is de Horstermeerpolder grotendeels aangemerkt als “Agrarisch gebied van bijzondere betekenis voor natuur, landschap en bodem” en een kleiner gedeelte als “natuurgebied”. Op het onder de streekplankaart weergegeven kaartje “Structuurbeeld Gooi en Vechtstreek 2010” zijn genoemde delen van de Horstermeerpolder aangemerkt als “landbouw in natuurkerngebied”, respectievelijk “natuurkerngebied”.

In het streekplan is ten aanzien van de natuurontwikkeling, voorzover hier van belang, het volgende bepaald (pag. 38):

”Om de natuurkern in de Vechtstreek te realiseren zal in 1998 gestart worden met de tweede fase van de concrete begrenzing van relatienotagebieden. In totaal wordt 1.685 ha landbouwgrond begrensd, waarvan 455 ha als beheersgebied, 320 ha als natuurontwikkelingsgebied en 910 ha als reservaatsgebied. Van de reservaatsgebieden is al 745 ha concreet begrensd.”

Voorts is onder het kopje “Beleidsstandpunten” (pag. 40), voorzover hier van belang, vermeld dat in de Vechtstreek in totaal 1.685 ha landbouwgrond zal worden begrensd als beheers-, reservaats- of natuurontwikkelingsgebied.

De Afdeling leidt uit het vorenstaande af dat de realisering van de natuurkern eerst kan plaatsvinden na voltooiing van de concrete begrenzing van de relatienotagebieden. De Afdeling is van oordeel dat het gebied dat de natuurkern omvat hiermee onvoldoende concreet is bepaald.

Dit planonderdeel is derhalve geen besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben het bezwaar van appellante hiertegen daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep van maatschap [appellanten sub 9] is in zoverre ongegrond.

2.5.2. Het beroep van maatschap [appellanten sub 9] richt zich voorts tegen het aanwijzen van een deel van de Horstermeerpolder als bodembeschermingsgebied, voorzover het betreft het gedeelte waarin landerijen van haar agrarisch bedrijf liggen. Zij vreest dat zij door deze aanwijzing haar agrarische bedrijfsactiviteiten zal moeten beëindigen.

2.5.3. Op de kaart “Overzicht randvoorwaarden en belemmeringen” zijn de bodembeschermingsgebieden door middel van groene stippen aangeduid.

In het streekplan is ten aanzien van de bodembeschermingsgebieden, voorzover hier van belang, het volgende bepaald (pag. 39 en 40):

”Het beleid voor de bodembeschermingsgebieden is gericht op de duurzame instandhouding van gebieden die extra bescherming behoeven vanwege hun waardevolle bodem en/of waardevolle elementen die vooral door de bodem zijn bepaald. (…)

In het Intentieprogramma bodembeschermingsgebieden heeft de provincie bodemkundig waardevolle gebieden en beschermende maatregelen aangegeven. (…)

De bodembeschermingsgebieden- en maatregelen zijn in het streekplan afgewogen tegen andere belangen. Resultaat hiervan is dat het natuurkerngebied in de Vechtstreek wordt aangewezen als bodembeschermingsgebied.”

Voorts is onder het kopje “Beleidsstandpunten” (pag. 40), voorzover hier van belang, vermeld dat waardevolle bodems gehandhaafd moeten worden.

De Afdeling stelt vast dat het gebied dat tot de natuurkern behoort tevens is aangewezen als bodembeschermingsgebied. Nu de Afdeling onder 2.5.1. heeft overwogen dat het gebied dat de natuurkern omvat onvoldoende concreet is bepaald, is daarmee tevens de omvang van het bodembeschermingsgebied onvoldoende concreet aangegeven.

Dit planonderdeel is derhalve geen besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben het bezwaar van appellante hiertegen daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep van maatschap [appellanten sub 9] is ook in zoverre ongegrond.

Overigens wijst de Afdeling erop dat appellante haar bezwaren tegen de natuurontwikkeling in de Horstermeerpolder in het kader van de bestemmingsplanprocedure aan de orde kan stellen.

De beroepen van burgemeester en wethouders van Blaricum en burgemeester en wethouders van Huizen.

2.6. De beroepen van burgemeester en wethouders van Blaricum en van burgemeester en wethouders van Huizen richten zich tegen de ontwikkeling van een bedrijventerrein op de Blaricummermeent. Zij stellen dat voor het bedrijventerrein kan worden volstaan met een kleinere omvang dan de 35 hectare waarvan het streekplan uitgaat.

2.6.1. Op de streekplankaart is de plaats van het bedrijventerrein met een driehoek aangeduid.

In het streekplan is ten aanzien van dit bedrijventerrein het volgende bepaald (pag. 72):

”De Blaricummermeent is ca 55 ha groot. Daarvan wordt 35 ha bruto (= 20 ha netto) ontwikkeld tot bedrijventerrein. In ieder geval is een goede ontsluiting vanaf de A27 noodzakelijk. De Blaricummermeent biedt ruimte voor aan te trekken nieuwe bedrijven, bedrijven die als gevolg van herstructurering moeten worden verplaatst en voor bedrijven in de regio die op hun huidige locatie niet meer kunnen uitbreiden.

De inrichting van het resterende deel van de Blaricummermeent zal een menging zijn van wonen, werken, recreëren en groen. Hierbij zal ook aandacht worden besteed aan de kustontwikkeling.”

De Afdeling is van oordeel dat, hoewel in de tekst, zoals hierboven weergegeven, de omvang van het te ontwikkelen bedrijventerrein dwingend is voorgeschreven, verweerders ten aanzien van de exacte locatie geen afgewogen, finale beslissing hebben genomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de plaats van het bedrijventerrein op de streekplankaart slechts door middel van een driehoek globaal is aangeduid en de begrenzing op de streekplankaart, noch in het streekplan nader is weergegeven. Aldus brengt de omstandigheid dat de totale oppervlakte van de Blaricummermeent 20 hectare meer bedraagt dan de omvang van het bedrijventerrein, met zich dat over de exacte ligging op gemeentelijk niveau nog een nadere afweging dient plaats te vinden.

Dit planonderdeel is daarom geen besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben de bezwaren van appellanten tegen het bedrijventerrein Blaricummermeent daarom ten onrechte ontvangen.

De beroepen van burgemeester en wethouders van Blaricum en van burgemeester en wethouders van Huizen zijn gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de wet te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding het bezwaarschrift van burgemeester en wethouders van Blaricum en van burgemeester en wethouders van Huizen zelf voorziend niet-ontvankelijk te verklaren.

Het beroep van [appellant sub 3a], [appellanten sub 3b] en [appellant sub 3c]

2.7. [appellant sub 3a], [appellanten sub 3b] en [appellant sub 3c] kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen, aangezien het streekplan Gooi en Vechtstreek geen duidelijkheid verschaft over de vraag of en onder welke voorwaarden herbouw van een voormalige woning mogelijk is op een perceel aan het Moleneind te Kortenhoef. Mede gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, vat de Afdeling dit beroep op als zijnde gericht tegen het door verweerders in het streekplan opgenomen beleid ten aanzien van woningbouw in het Groene Hart.

2.7.1. In het streekplan is het beleid ten aanzien van woningbouw in het Groene Hart als volgt verwoord (pag. 33):

”In het Groene Hart staat behoud van natuur en landschap voorop. Verstedelijking mag alleen plaatsvinden binnen de contouren stedelijk gebied.

Bestaande lintbebouwing in het landelijk gebied die niet binnen de contouren is gelegen, mag niet worden uitgebreid of verdicht.

Verstedelijking – vrijwel altijd het bouwen van woningen – in het landelijk gebied is niet toegestaan, tenzij er sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Een beperkte toename van woonbebouwing is toegestaan:

- Indien de woonbebouwing samenhangt met de (agrarische) functie van

het landelijk gebied.

- In het geval van sanering van vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen.

- Bij opheffing van reeds bestaande, ruimtelijke ongewenste situaties.

Uitgangspunt is dat hierdoor wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

Dit betekent onder meer dat er positieve effecten ontstaan voor natuur en landschap. Dergelijke projecten zullen steeds per geval beoordeeld worden. Woningvervanging als gevolg van calamiteiten is altijd toegestaan.”

De streekplantekst laat ruimte om van geval tot geval te bepalen of een beperkte toename van de woningbouw in het Groene Hart kan worden toegestaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders hiermee geen afgewogen, finale beslissing hebben genomen.

Dit planonderdeel is daarom geen besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

[appellanten sub 3b] en [appellant sub 3c] hebben tegen het streekplan geen bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Het planonderdeel is bij het bestreden besluit niet gewijzigd, zodat de vraag niet hoeft te worden beantwoord of het beroepschrift, voorzover ingediend door [appellanten sub 3b] en [appellant sub 3c], ter behandeling als bezwaarschrift aan verweerders moet worden toegezonden.

De Afdeling is onbevoegd om van het beroep, voorzover ingediend door [appellanten sub 3b] en [appellant sub 3c], kennis te nemen.

[appellant sub 3a] heeft wel een bezwaarschrift ingediend tegen het streekplan bij verweerders.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders het bezwaar van [appellant sub 3a] ten onrechte ontvangen.

Het beroep, voorzover ingediend door [appellant sub 3a], is gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de wet te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding het bezwaarschrift van [appellant sub 3a] zelf voorziend niet-ontvankelijk te verklaren.

Het beroep van de Stichting Kavel Nieuwbouw Groep

2.8. De Stichting Kavel Nieuwbouw Groep wil woningbouw realiseren in Aetsveld-West. Haar beroep richt zich allereerst tegen het aanwijzen van dit gebied als bufferzone.

2.8.1. In het streekplan is ten aanzien van het bufferzonebeleid het volgende bepaald (pag. 31):

”Het Groene Hart en het bufferzone-beleid van het Rijk is van toepassing; behoud van natuur en landschap staat voorop en er mag geen verdere verstedelijking plaatsvinden.”

Voorts wordt in het streekplan op pag. 35 verwezen naar de partiële herziening van de planologische kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (Actualisering Vinex; hierna: pkb Vinac). Hierover is het volgende bepaald:

”In de actualisering van de PKB-VINEX zijn voor Gooi en Vechtstreek drie bufferzones aangegeven: Blaricum-Huizen, Utrecht-Hilversum en Amstelland-Vechtstreek. De bufferzones zijn bedoeld om te voorkomen dat stadsgewesten aaneengroeien en om de open ruimten ertussen te ontwikkelen. In de bufferzones gelden dezelfde ruimtelijke beperkingen voor woningbouw, landgoederen en buitenplaatsen als in het Groene Hart. In de bufferzones mag geen nieuwvestiging van glastuinbouw plaats vinden, buiten de in vigerende bestemmingsplannen opgenomen planologische capaciteit. De bufferzones zijn weergegeven op de randvoorwaardenkaart.”

In haar uitspraak van 29 augustus 2001 (200000249/1; AB 2002/11) heeft de Afdeling geoordeeld dat het bufferzonebeleid van de pkb Vinac geen besluiten bevat in de zin van artikel 2a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Nu in het streekplan het bufferzonebeleid in gelijkluidende bewoordingen is omschreven als in de pkb-Vinac, is de Afdeling van oordeel dat het streekplan op dit punt geen finale, afgewogen beslissing bevat.

Dit planonderdeel is daarom geen besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben de bezwaren van appellante, voorzover deze betrekking hebben op het aanwijzen van het gebied Aetsveld-West als bufferzone, daarom ten onrechte ontvangen.

Het beroep van de Stichting Kavel Nieuwbouw Groep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de wet te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding het bezwaarschrift van de Stichting Kavel Nieuwbouw Groep op dit punt zelf voorziend niet-ontvankelijk te verklaren.

2.8.2. Het beroep van de Stichting Kavel Nieuwbouw Groep richt zich voorts tegen de contour stedelijk gebied rond Weesp, ter hoogte van Aetsveld-West.

2.8.2.1. De contour stedelijk gebied is op de streekplankaart en op de kaart “contouren stedelijk gebied” door middel van een rode lijn rond Weesp aangebracht.

In het streekplan is, voorzover hier van belang, ten aanzien van de contouren stedelijk gebied het volgende bepaald (pag. 56):

”Om elk misverstand uit te sluiten over waar wel en waar niet mag worden gebouwd, zijn in het streekplan voor iedere stad en voor ieder dorp contouren opgenomen. Deze contouren stedelijk gebied geven de uiterste grens aan van de verstedelijkingsmogelijkheden (zie kaart contouren stedelijk gebied). De contour stedelijk gebied heeft dus niet betrekking op uitsluitend woningbouw, maar op alle denkbare stedelijke ontwikkelingen die ruimte vereisen. (…)

Buiten de contouren mag geen verstedelijking plaatsvinden.”

De Afdeling stelt op basis van het voorgaande vast dat de contouren stedelijk gebied moeten worden gezien als absolute bebouwingsgrenzen. De contouren stedelijk gebied zijn aldus bepalend voor de uiteindelijke ontwikkelingsruimte per stad of dorp.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat met de contour stedelijk gebied rond Weesp voldoende concreet een ruimtelijke ingreep, die hier bestaat uit het weren van bebouwing buiten deze contour, is aangegeven.

Daarbij is voldoende duidelijk dat verweerders met de vaststelling van deze contour hebben beoogd een afgewogen, finale beslissing te nemen.

Hoewel volgens de daartoe voorgeschreven procedure afwijking van de contouren in beginsel mogelijk is, moet deze procedure van een zodanige zwaarte worden geacht dat hiermee aan het finale karakter van de beslissing niet wordt afgedaan.

Dit planonderdeel is derhalve een besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben daarom de bezwaren van de Stichting Kavel Nieuwbouw Groep, voorzover deze zijn gericht tegen de contour stedelijk gebied rond Weesp ter hoogte van Aetsveld-West, terecht ontvangen.

2.8.2.2. De Stichting Kavel Nieuwbouw Groep wenst verruiming van de contour stedelijk gebied teneinde haar plannen voor woningbouw te kunnen verwezenlijken.

Verweerders achten uitbreiding van de stedelijke bebouwing in Aetsveld-West en daarmee verruiming van de contour ter plekke ongewenst, vanwege de ligging van het gebied in de bufferzone.

2.8.2.3. Blijkens het streekplan is het hiervoor onder 2.7.1. uiteengezette beleid ten aanzien van woningbouw in het Groene Hart eveneens van toepassing in de bufferzones.

De Afdeling acht het uitgangspunt van verweerders dat, gelet op dit beleid, uitbreiding van de stedelijke bebouwing in Aetsveld-West niet kan worden toegestaan, niet onredelijk.

Niet gebleken is dat de plannen van appellante voldoen aan de voorwaarden die een beperkte toename van woonbebouwing in de bufferzone mogelijk maken.

2.8.2.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders deze contour niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen.

Het beroep van de Stichting Kavel Nieuwbouw Groep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

2.9. Het beroep van [appellant sub 6] richt zich tegen de contour stedelijk gebied rond Weesp, ter hoogte van de Utrechtseweg.

2.9.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 2.8.2.1. heeft overwogen, is de contour stedelijk gebied rond Weesp een besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben daarom de bezwaren van [appellant sub 6] tegen dit planonderdeel terecht ontvangen.

2.9.2. [appellant sub 6] voert allereerst aan dat met hem overleg had moeten worden gevoerd over het wijzigen van de contour rond Weesp ter hoogte van de Utrechtseweg bij de vaststelling van het streekplan.

De Afdeling is van oordeel dat in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan verweerders met betrekking tot een wijziging als hier aan de orde overleg moeten plegen met belanghebbenden. Ook overigens is niet gebleken dat daartoe in het geval van appellant aanleiding bestond. De Afdeling ziet derhalve in dit formele bezwaar van [appellant sub 6] geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.9.3. Voorts wenst [appellant sub 6] dat de contour stedelijk gebied rond Weesp ter hoogte van de Utrechtseweg bij de begraafplaats wordt gelegd, zodat het mogelijk wordt op een perceel aan deze weg twee woningen te bouwen.

Onbetwist is dat in het ontwerp-streekplan het perceel van [appellant sub 6] viel binnen de contour stedelijk gebied en dat het na de wijziging van de contour bij de vaststelling van het streekplan erbuiten is komen te liggen.

Volgens verweerders hangt deze wijziging samen met het aanpassen van de contour aan de begrenzing van het Groene Hart. Verweerders wensen op deze plaats geen verruiming van de contour en verwijzen in dit verband naar het door hen gevoerde beleid ten aanzien van het Groene Hart.

2.9.3.1. Uit de toelichting op de bij het streekplan gevoegde kaart contouren stedelijk gebied blijkt dat bij het bepalen van de contouren de bestaande situatie als uitgangspunt is genomen.

Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat verweerders niet meewerken aan bouwmogelijkheden buiten de contouren, voorzover deze niet voortvloeien uit de onder 2.7.1. genoemde uitzonderingen, tenzij sprake is van bestaande rechten.

2.9.3.2. De Afdeling overweegt dat verweerders als uitgangspunt bij het leggen van de contour hebben genomen de bestaande situatie, met inbegrip van de nog voorhanden zijnde bouwmogelijkheden in de vigerende bestemmingsplannen. Uitbreiding van de bebouwing aan de Utrechtseweg achten zij, gelet op het restrictieve beleid met betrekking tot het Groene Hart, onwenselijk. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

Niet aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de voorwaarden die een beperkte toename van woonbebouwing in het Groene Hart mogelijk maken. Evenmin is gebleken dat het desbetreffende perceel van appellant op grond van het ten tijde van de vaststelling van het streekplan vigerende bestemmingsplan een bestemming heeft met bouwmogelijkheden.

2.9.3.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders deze contour niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen.

Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.10. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen de contour stedelijk gebied ten zuiden van Hilversum, ter hoogte van de Van Ghentlaan.

2.10.1. De contour stedelijk gebied is op de streekplankaart en op de kaart “contouren stedelijk gebied” met een rode lijn rond Hilversum aangegeven.

Evenals onder 2.8.2.1. ten aanzien van de contour stedelijk gebied rond Weesp is overwogen, is de Afdeling ook ten aanzien van de contour rond Hilversum van oordeel dat dit planonderdeel een besluit is in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben daarom de bezwaren van [appellant sub 1] tegen dit planonderdeel terecht ontvangen.

2.10.2. [appellant sub 1] heeft allereerst naar voren gebracht dat zij, ondanks een toezegging, niet schriftelijk is geïnformeerd over de aanvang van de beroepstermijn.

Verweerders stellen zich blijkens het verweerschrift op het standpunt dat zij alle indieners van bezwaren bij brief van 11 december 2000 op de hoogte hebben gesteld van de mogelijkheid om binnen de daarin genoemde termijn tegen het vastgestelde streekplan beroep in te stellen bij de Afdeling. Wat hier ook van zij, de Afdeling is van oordeel dat in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan provinciale staten in een geval als hier aan de orde verplicht zijn indieners van een bezwaarschrift persoonlijk van de beslissing op bezwaar in kennis te stellen. De Afdeling overweegt in dit verband dat, nu het besluit tot vaststelling van het streekplan een besluit van algemene strekking is, de bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift ingevolge artikel 7:12, tweede lid, in samenhang met artikel 4a, vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dient te geschieden door middel van publicatie in de Staatscourant en in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen. Aan deze publicatievereisten is blijkens de stukken in dit geval voldaan.

Overigens heeft appellante tegen de beslissing op bezwaar tijdig beroep ingesteld.

Ook in hetgeen [appellant sub 1] overigens als formele bezwaren naar voren naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.10.3. Daarnaast wenst [appellant sub 1] dat de contour stedelijk gebied rond Hilversum om de percelen aan de Van Ghentlaan wordt gelegd, aangezien zij op één van deze percelen een woning wil bouwen. Zij voert aan dat op andere locaties in Hilversum – bij de Utrechtseweg, de

’s-Gravelandseweg ter hoogte van het Diergaardepark en bij de Oscar Romerolaan - de contour wel om de aanliggende percelen is getrokken. Voorts wijst zij er op dat in het verleden elders in de bufferzone bebouwing is toegestaan.

2.10.3.1. In het ontwerp-streekplan viel het in geding zijnde perceel binnen de contour stedelijk gebied rond Hilversum. Bij de vaststelling van het streekplan is deze contour gewijzigd waardoor het perceel erbuiten is komen te liggen. Blijkens het bestreden besluit willen verweerders bebouwing van het desbetreffende perceel niet toestaan, aangezien het ligt in de bufferzone Utrecht-Hilversum, in het Groene Hart en in een waterwingebied. Verweerders wijzen daarbij op het restrictieve beleid voor het bouwen in bufferzones en het Groene Hart, op grond waarvan alleen bebouwing ten behoeve van landelijke functies is toegestaan. Volgens verweerders houden de bouwplannen van appellante geen verband met de landelijke functies van het gebied. Voorts erkennen verweerders dat zij in het verleden in afwijking van het streekplan bebouwing in de bufferzone hebben toegestaan. Deze hebben volgens verweerders echter geen precedentwerking. In dit verband verwijzen zij naar het Koninklijk Besluit no. 93.008163, van 7 oktober 1993, inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan “Kerkelanden-Zuid Raaweg”. Verweerders wijzen er op dat appellante destijds beroep heeft ingesteld tegen de goedkeuring van dit plan, omdat dit plan de door haar gewenste bebouwing niet mogelijk maakte, maar dat dit beroep bij genoemd Koninklijk Besluit ongegrond is verklaard. Naar de mening van verweerders zijn de feiten en omstandigheden sindsdien niet zodanig gewijzigd dat dit zou moeten leiden tot een andere uitkomst dan destijds.

2.10.3.2. Zoals reeds overwogen, gelden voor woningbouw blijkens het streekplan in bufferzones dezelfde ruimtelijke beperkingen als in het Groene Hart.

De Afdeling overweegt voorts dat verweerders als uitgangspunt bij het leggen van de contour hebben genomen de bestaande situatie, met inbegrip van de nog voorhanden zijnde bouwmogelijkheden in de vigerende bestemmingsplannen. Uitbreiding van de bebouwing aan de Van Ghentlaan achten zij, gelet op het restrictieve beleid met betrekking tot het Groene Hart en de bufferzone onwenselijk. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. De omstandigheid dat in het verleden bebouwing in de bufferzone is toegestaan kan hieraan niet afdoen. Het staat verweerders immers vrij op enig moment een stringenter beleid te voeren.

Voorts is niet gebleken dat is voldaan aan de voorwaarden die een beperkte toename van woonbebouwing in het Groene Hart en de bufferzone mogelijk maken. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat het perceel van appellante op grond van het ten tijde van de vaststelling van het streekplan vigerende bestemmingsplan een bestemming had met bouwmogelijkheden.

Ten aanzien van het bezwaar dat elders in Hilversum in een aantal gevallen de contour wel om de aanliggende percelen is getrokken, acht de Afdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om met de situatie van appellante vergelijkbare gevallen.

2.10.3.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders deze contour niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a]

2.11. Het beroep van Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b] richt zich tegen de contour stedelijk gebied rond Huizen, ter hoogte van het bedrijfsterrein.

2.11.1. De contour is op de streekplankaart en op de kaart “contouren stedelijk gebied” met een rode lijn rond Huizen aangegeven.

Gelet op hetgeen onder 2.8.2.1. ten aanzien van de contour stedelijk gebied rond Weesp is overwogen, is de Afdeling eveneens ten aanzien van de contour rond Huizen van oordeel dat dit planonderdeel een besluit is in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben daarom de bezwaren van Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b] tegen dit planonderdeel terecht ontvangen.

2.11.2. Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] exploiteert een kalkzandsteenfabriek in het gebied tussen Huizen en Blaricum. [appellante sub 7b] is eigenaar van de percelen waarop deze fabriek wordt geëxploiteerd. Appellanten stellen dat ten onrechte het bedrijfsterrein buiten de contour stedelijk gebied rond Huizen is gelaten en voeren aan, mede met het oog op toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, dat de contour om het bedrijfsterrein dient te worden gelegd.

2.11.3. Blijkens de stukken ligt het bedrijfsterrein op geringe afstand van de bebouwing aan de zuidrand van Huizen. In het ontwerp-streekplan viel het bedrijfsterrein van appellanten binnen de contour stedelijk gebied rond Huizen. Bij de vaststelling van het streekplan is deze contour gewijzigd en is het bedrijfsterrein erbuiten komen te liggen. Deze wijziging is blijkens de stukken ingegeven door de wens om de ecologische verbinding tussen het Warandapark en de Huizer Eng in stand te houden dan wel te verbeteren en voorts om Huizen en Blaricum ruimtelijk van elkaar gescheiden te houden.

In het verweerschrift is opgemerkt dat verweerders genoemde argumenten voldoende zwaar achten om de gevraagde verruiming van de contour niet toe te staan. Daarbij wijzen zij er op dat het vigerende bestemmingsplan aan het bedrijf van appellanten nog een ruime uitbreidingsmogelijkheid biedt.

2.11.4. De Afdeling kan verweerders niet volgen in de argumenten die zij op dit punt aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegd. Niet valt in te zien op welke wijze het buiten de contour laten van het bedrijfsterrein kan bijdragen aan het in stand houden dan wel verbeteren van bedoelde ecologische verbinding. Het bedrijfsterrein maakt daar immers zelf geen deel van uit. Voorts kan de Afdeling verweerders niet volgen in hun standpunt dat aldus Huizen en Blaricum ruimtelijk van elkaar gescheiden blijven. Het bedrijfsterrein is immers reeds aanwezig. Voorzover verweerders voor de uitbreidingsmogelijkheden verwijzen naar het vigerende bestemmingsplan, miskennen zij dat het de gemeenteraad vrijstaat dit plan binnen de streekplanperiode te herzien.

Nu voorts niet is gebleken dat plannen bestaan het bedrijf van appellanten naar een locatie elders te verplaatsen, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het bestreden besluit, voorzover daarin het bedrijfsterrein van appellanten buiten de contour stedelijk gebied rond Huizen is gelaten, dient daarom te worden vernietigd. Het beroep van Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b] is gegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.12. Het beroep van [appellant sub 8] richt zich tegen de contour stedelijk gebied rond Laren, ter hoogte van de Torenlaan.

2.12.1. De contour is op de streekplankaart en op de kaart “contouren stedelijk gebied” met een rode lijn rond Laren aangegeven.

Gelet op hetgeen onder 2.8.2.1. ten aanzien van de bebouwingscontour rond Weesp is overwogen, is de Afdeling eveneens ten aanzien van de bebouwingscontour rond Laren van oordeel dat dit planonderdeel een besluit is in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerders hebben daarom de bezwaren van [appellant sub 8] tegen dit planonderdeel terecht ontvangen.

2.12.2. [appellant sub 8] stellen dat ten onrechte in het streekplan de contour stedelijk gebied door de tuin van hun woning aan de Torenlaan is gelegd. Zij stellen dat hierdoor een onlogische tweedeling ontstaat tussen woning en tuin, waarbij zij er op wijzen dat hun perceel in zijn geheel is voorgedragen voor aanwijzing als Rijksmonument. Zij voeren aan dat overeenkomstig het vorige streekplan de contour langs de Harmen Vosweg dient te worden gelegd, die tevens de grens van het Goois Natuur Reservaat vormt. In dit verband wijzen zij op drie percelen elders aan de Torenlaan, die eveneens grenzen aan het Goois Natuur Reservaat en die wel geheel binnen de contour vallen.

2.12.3. Verweerders stellen zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat de contouren stedelijk gebied door tuinen kunnen lopen, hetgeen geen gevolgen heeft voor het gebruik van de tuin als zodanig.

Volgens verweerders is van een onlogische ligging geen sprake, aangezien de bestaande bebouwing – de woning - binnen de contour valt en de tuin daar buiten. De omstandigheid dat het perceel in zijn geheel is voorgedragen voor aanwijzing als Rijksmonument, is volgens verweerders in dit verband niet relevant. Ter zitting is van de zijde van verweerders verklaard dat de wijziging van de contour ten opzichte van het vorige streekplan is ingegeven door voortschrijdend inzicht. In dit verband hebben zij gewezen op de bijzondere waarde van de tuin vanwege zijn omvang (80 x 80 meter) en de aansluiting op het Goois Natuur Reservaat. Zij zijn van mening dat de tuin als beschermenswaardig gebied dient te worden aangemerkt. Om die reden is de tuin buiten de contour gelaten, aldus verweerders.

2.12.4. In het streekplan is ten aanzien van de contouren stedelijk gebied, voorzover hier van belang, het volgende bepaald (pag. 56).

”Deze contouren stedelijk gebied geven de uiterste grens aan van de verstedelijkingsmogelijkheden (…). De contour stedelijk gebied heeft dus niet betrekking op uitsluitend woningbouw, maar op alle denkbare stedelijke ontwikkelingen die ruimte vereisen. Voor het gebied binnen de contour heeft de gemeente ten aanzien van de ruimtelijke inrichting meer beleidsvrijheid met dien verstande dat niet alle open plaatsen binnen de contouren stedelijk gebied mogen worden bebouwd. Open of groene ruimten, die een belangrijke bijdrage leveren aan de stedenbouwkundige structuur binnen het stedelijk gebied, moeten worden gerespecteerd. Daarnaast moet een verdere verstedelijking binnen de contouren voldoen aan het provinciaal beleid. Zo moet het cultuur-historische waardevol erfgoed worden beschermd (…)”

2.12.5. De Afdeling kan verweerders niet volgen in hun standpunt dat vanwege het beschermenswaardige karakter de desbetreffende tuin buiten de contour stedelijk gebied rond Laren dient te worden gelaten. Immers, de ruimte binnen de contouren stedelijk gebied is blijkens het streekplan niet uitsluitend bestemd voor woningbouw. Andere ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, waarbij waardevolle open of groene plaatsen dienen te worden gerespecteerd en cultuur-historisch waardevol erfgoed – met inachtnemening van het provinciaal beleid - dient te worden beschermd. Aldus behoeft het opnemen van de tuin binnen de contour er niet toe te leiden dat de bijzondere waarde daarvan niet kan worden gehandhaafd.

Gelet hierop, daarbij mede in aanmerking genomen dat woning en tuin als geheel zijn voorgedragen voor aanwijzing als Rijksmonument, is de Afdeling van oordeel dat verweerders ontoereikend hebben gemotiveerd waarom het perceel van appellanten niet in zijn geheel binnen de contour stedelijk gebied rond Laren kan worden gebracht, zoals dat in het vorige streekplan is gebeurd.

Het bestreden besluit is naar het oordeel van de Afdeling dan ook in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit, voorzover daarin de bij het perceel van appellanten behorende tuin buiten de contour stedelijk gebied rond Laren is gelaten, dient daarom te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 8] is gegrond.

Proceskosten

2.13. Verweerders dienen ten aanzien [appellant sub 3a], Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b] en [appellant sub 8] op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van burgemeester en wethouders van Blaricum, burgemeester en wethouders van Huizen en Stichting Kavel Nieuwbouw Groep is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen van [appellante sub 2] Projectontwikkeling B.V en van [appellant sub 3a] en anderen, voorzover ingediend door [appellanten sub 3b] en [appellant sub 3c];

II. verklaart het beroep van de Stichting Kavel Nieuwbouw Groep gedeeltelijk en de beroepen van burgemeester en wethouders van Blaricum, burgemeester en wethouders van Huizen, [appellant sub 3a] en anderen, voorzover ingediend door [appellant sub 3a], Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b] en van [appellant sub 8] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van provinciale staten van Noord-Holland van 18 september 2000, voorzover verweerders:

A. de bezwaren van burgemeester en wethouders van Blaricum, burgemeester en wethouders van Huizen en [appellant sub 3a] hebben ontvangen;

B. de bezwaren van Stichting Kavel Nieuwbouw Groep hebben ontvangen, voorzover deze betrekking hebben op het aanwijzen van het gebied Aetsveld-West als bufferzone;

C. hebben gehandhaafd de contour stedelijk gebied rond Huizen, ter hoogte van het bedrijfsterrein van Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a], zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 1;

D. hebben gehandhaafd de contour stedelijk gebied rond Laren, ter hoogte van de Torenlaan, zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 2;

IV. verklaart de bezwaarschriften van burgemeester een wethouders van Blaricum, van burgemeester en wethouders van Huizen en van [appellant sub 3a] en het bezwaarschrift van Stichting Kavel Nieuwbouw Groep, voorzover dit is gericht tegen het aanwijzen van het gebied Aetsveld-West als bufferzone, alsnog niet-ontvankelijk;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit onder III.A. en III.B. is vernietigd;

VI. verklaart het beroep van Stichting Kavel Nieuwbouwgroep voor het overige en de beroepen van maatschap [appellanten sub 9], [appellant sub 6] en [appellant sub 1] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt provinciale staten van Noord-Holland in de door [appellant sub 3a], Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b] en [appellant sub 8] in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1932,00; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland als volgt te worden betaald:

1. aan [appellant sub 3a] een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. aan Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en Van den Brink Group B.V. een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

3. aan [appellant sub 8] een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan de hieronder genoemde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 204,20 voor burgemeester en wethouders van Blaricum, burgemeester en wethouders van Huizen, Stichting Kavel Nieuwbouw Groep en Kalkzandsteenfabriek [appellante sub 7a] en [appellante sub 7b] en

€ 102,10 voor [appellant sub 3a] en [appellant sub 8]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette , ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002

196-363.