Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE9875

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2002
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
200200119/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200119/1

Datum uitspraak: 6 november 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 10 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 15 mei en 24 juni 1998 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris), voorzover hier van belang, de beslissingen tot toekenning aan appellant van huursubsidie over de tijdvakken 1992/1993 en 1995/1996 ingetrokken, de toe te kennen huursubsidie voor die tijdvakken op nihil gesteld en appellant een boete opgelegd.

Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 december 2001, verzonden op 11 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep met betrekking tot de tijdvakken 1992/1993 en 1995/1996 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2002 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2002, waar appellant in persoon en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep, als toegelicht ter zitting, richt zich tegen de aangevallen uitspraak uitsluitend voorzover daarbij het beroep, wat de tijdvakken 1992/1993 en 1995/1996 betreft, ongegrond is verklaard.

2.2. In artikel 5, eerste lid, van de Wet individuele huursubsidie (Wet IHS), zoals dat artikel ten tijde van de in het geding zijnde toekenningsperioden luidde en voorzover hier van belang, is bepaald dat onder duurzaam samenwonen van de huurder met een of meer anderen wordt verstaan het op 1 juli door de huurder en die ander of anderen gezamenlijk bewonen van een woning en het daarin voeren van een gemeenschappelijke huishouding sedert een tijdvak van tenminste een jaar, of zoveel korter als zij onmiddellijk vóór de aanvang van de gezamenlijke bewoning en gemeenschappelijke huishouding bij enige gemeente als woningzoekenden voor een gemeenschappelijk te bewonen woning waren ingeschreven en deze inschrijving op hun verzoek werd aangetekend in het register bedoeld in het tweede lid.

2.2.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Afdeling uit van het navolgende. Appellant heeft op 28 oktober 1992 een verzoek om huursubsidie ingediend over het tijdvak 1992/1993, onder vermelding van de reden waarom zijn inkomen vanaf die datum was verminderd. Op het formulier is vermeld dat appellant toen samenwoonde met een minderjarige zoon. Op het formulier dat is ingevuld door de woningbouwvereniging IJsselmonde te Rotterdam en bij de aanvraag hoort, is bij de rubriek “huurder” de naam van [partij] doorgehaald. Niet onaannemelijk is dat appellant - zoals hij ook ter zitting heeft betoogd - bij de indiening van zijn aanvraag heeft aangegeven dat zijn samenwoning met [partij] inmiddels was beëindigd. Bij besluit van 25 februari 1993 is hem per 1 juli 1992 huursubsidie toegekend.

In 1996 is appellant op de hoogte gesteld van het instellen van een onderzoek door de Dienst Recherchezaken van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Uit het rechercherapport van 15 oktober 1997 blijkt dat het tijdvak 1992/1993 ambtshalve in het onderzoek is betrokken. In dat rapport wordt de conclusie getrokken dat appellant op 1 juli 1992 met [partij] samenwoonde. Op basis hiervan heeft de Staatssecretaris een bedrag van ƒ 2.280,00/€ 1.034,62 teruggevorderd vermeerderd met een boete van ƒ 500,00/€ 226,89.

Nu het terugvorderingsbesluit over de periode 1992/1993 ook ter zitting niet kon worden overgelegd, kan niet worden vastgesteld of de hoogte van het teruggevorderde bedrag over die periode juist is.

2.2.2. De Afdeling is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat gelet op de summiere motivering van de inspecteur in zijn rechercherapport met betrekking tot de periode 1992/1993, waarbij geen enkele aandacht is besteed aan het door de verhuurder met betrekking tot die periode ingevulde en ondertekende formulier zoals hiervoor bedoeld, dat echter wél als bijlage bij het rapport was gevoegd, alsmede gelet op hetgeen door appellant ondermeer in zijn hoger-beroepschrift alsook ter zitting tegen dat rechercherapport is aangevoerd, het niet aannemelijk is dat er op 1 juli 1992 nog sprake was van duurzaam samenwonen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Wet IHS.

De Afdeling komt tot de slotsom dat de beslissing op bezwaar in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank deze derhalve ten onrechte in stand heeft gelaten, alsook dat de Staatssecretaris de huursubsidie over het tijdvak 1992/1993 ten onrechte nader heeft vastgesteld op nihil en een boete heeft opgelegd.

2.3. Ten aanzien van het tijdvak 1995/1996 komt de Afdeling, met overneming van hetgeen dienaangaande in de aangevallen uitspraak is overwogen, niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het beroep ten aanzien van het tijdvak 1992/1993 ongegrond is verklaard, en - voorzover aangevallen - voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, de beslissing op bezwaar, voorzover betrekking hebbend op genoemd tijdvak vernietigen en het primaire besluit van 24 juni 1998 in zoverre herroepen.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 10 december 2001, WET 01/975-ZET, voorzover daarbij het beroep ten aanzien van het tijdvak 1992/1993 ongegrond is verklaard;

II. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 maart 2001, Awb41/VBSB/019, voorzover betrekking hebbend op genoemd tijdvak (inclusief de boete);

III. herroept het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 juni 1998 in zoverre;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak - voorzover aangevallen - voor het overige;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2002

229/119-420.