Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE9799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
05-11-2002
Zaaknummer
200106189/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200106189/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "[verzoeker A] Vastgoed B.V.", [verzoeker A] Cargo B.V." en "[verzoeker A] Fijnhout B.V." en [verzoeker B], respectievelijk gevestigd en wonend te [plaats],

verzoekers,

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2001, kenmerk EMT/200/3505, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Vredestein Banden B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor het produceren van banden voor personenauto's en landbouwvoertuigen, gelegen aan de Ir. E.L.C. Schiffstraat 370, de Ir. Hanlostraat 9 en 11 en de Ossenboer 50, 52 en 54 te Enschede, kadastraal bekend gemeente Lonneker, sectie T, nummers 693, 693, 694, 695, 710, 778, 1010, 1389, 934 en 782 (gedeeltelijk). Dit aangehechte besluit is op 9 november 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 17 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 januari 2002.

Bij brief van 17 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2001, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 februari 2002, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, en A.J. Mulder, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. D. van Grieken, ing. J.J. Dop en ing. R. Migchelsen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn namens vergunninghoudster mr. F.P.J.M. Otten, mr. A. Wansink, J.A.M. Mos en ing. P. de Vries daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekers voeren aan dat verweerders de vergunning hadden moeten weigeren omdat de aanvraag onduidelijk en onvolledig was. Tevens is, volgens verzoekers, met de vergunningverlening de grondslag van de aanvraag verlaten. Hierbij stellen ze, onder andere, dat het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 op de onderhavige inrichting van toepassing is, zodat een veiligheidsrapport dan wel een preventieplan in de zin van dit besluit van de aanvraag deel had moeten uitmaken.

Gelet op hetgeen verzoekers hebben aangevoerd en ook anderszins ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 niet op de onderhavige inrichting van toepassing is. Evenmin is de Voorzitter gebleken van een verlating van de grondslag van de aanvraag. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter van oordeel dat ook eventuele overige gebreken in de aanvraag niet van dien aard zijn dat ze het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen.

2.3. Artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder gevel in acht neemt:

a. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2, dan wel voortvloeit uit de artikelen 41, 46, tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid van de Wet geluidhinder.

2.4. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte een termijn van drie jaar wordt gegund voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen teneinde de inrichting aan de te stellen geluidgrenswaarden te kunnen laten voldoen. Volgens verzoekers zijn de geluidwerende voorzieningen die op basis van de oude vergunning hadden moeten worden getroffen nog steeds niet volledig gerealiseerd. Zij stellen het onaanvaardbaar te vinden dat gedurende een periode van drie en mogelijk zelfs vijf jaar de overschrijding van geluidnormen wordt gedoogd.

Verweerders stellen dat de geluidemissie van de inrichting ten minste inpasbaar dient te zijn binnen de geluidruimte van de inrichting binnen het zonebeheersmodel. Een verruiming ten opzichte van deze geluidruimte is, volgens verweerders, vanwege de huidige situatie op het gezoneerde industrieterrein niet mogelijk. Zij stellen vanwege de grote hoeveelheid geluidbronnen waaraan maatregelen moeten worden getroffen in de vergunning een termijn van drie jaar te hebben opgenomen waarbinnen de grenswaarden gehaald zouden moeten worden. Uit een maatregelenonderzoek blijkt, volgens verweerders, dat met deze maatregelen aan de geldende normen kan worden voldaan.

De Voorzitter overweegt dat de onderhavige inrichting op een industrieterrein is gelegen. Rond dit industrieterrein is ingevolge artikel 53 van de Wet geluidhinder een geluidzone vastgelegd waar buiten de geluidbelasting vanwege het terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Op grond van artikel 8.8, derde lid, van de Wet milieubeheer dient deze grenswaarde bij de beslissing op een vergunningaanvraag in acht te worden genomen.

Bij de aanvraag om vergunning is een akoestisch rapport overgelegd van Tebodin Consultants & Engineers, rapportnummer 3317001, van 23 maart 2001. In dit akoestisch onderzoek is nagegaan welke geluidbelasting de inrichting ter plaatse van de in de nabijheid van de inrichting gelegen woningen van derden zal veroorzaken. Tevens is nagegaan welke geluidbelasting de onderhavige inrichting, op de verschillende referentiepunten van de geluidzone zal hebben. Hierbij wordt geconcludeerd dat de ten behoeve van de zonebewaking gestelde streefwaarden waaraan de onderhavige inrichting op de zonegrens moet voldoen worden overschreden. Dit betekent dat de geluidproductie van de inrichting er tot zal leiden dat deze tezamen met de geluidproductie van andere bedrijven op het industrieterrein op de zonegrens een geluidniveau van 50 dB(A) zal overschrijden.

Nu uit het vorenstaande blijkt dat de ingevolge artikel 53 van de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzone waar buiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan bij het bestreden besluit in strijd met artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer niet in acht is genomen, verwacht de Voorzitter dat dit besluit in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. De stelling van verweerders dat na een periode van drie jaar door het treffen van maatregelen wel aan de geluidnormen kan worden voldaan doet hieraan niet af. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

2.5. De overige gronden behoeven geen verdere bespreking.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van gedeputeerde staten van Overijssel van 31 oktober 2001, kenmerk EMT/2000/3505;

II. veroordeelt gedeputeerde staten van Overijssel in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Overijssel te worden betaald aan verzoekers;

III. gelast dat de provincie Overijssel aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2002

315.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,