Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE9109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
21-10-2002
Zaaknummer
200202800/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5500
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/250 met annotatie van EvdL
JV 2002/340
Ars Aequi RV20020085 met annotatie van H. Winter
AB 2003, 30 met annotatie van I. Sewandono

Uitspraak

Raad

van State

200202800/1.

Datum uitspraak: 9 augustus 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 mei 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 22 mei 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing op een door haar gedaan verzoek van 24 april 2002 om het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) het advies te geven haar de verstrekkingen bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers opnieuw te laten ontvangen gegrond verklaard en bepaald dat de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) binnen een week op het verzoek beslist. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2002, waar de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, als ambtsopvolger van de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt, voor zover thans van belang, het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

2.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: de Rva 1997), eindigen de verstrekkingen, als bedoeld in artikel 5 van die Regeling, indien het een vreemdeling betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet-inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang, op de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van de

Rva 1997, voor zover thans van belang, wordt onder “rechtmatig verwijderbare vreemdeling” verstaan een vreemdeling, op wiens asielaanvraag in eerste aanleg in negatieve zin is beslist, tenzij de betrokkene in afwachting is van een rechterlijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beslissing dat de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag worden afgewacht, tenzij dit verzoek op grond van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) niet hier te lande mag worden afgewacht.

Onderdeel C4/17.3.2 van de Vc 2000 vermeldt, voor zover thans van belang, dat indien sprake is van een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening, de uitspraak alleen in Nederland mag worden afgewacht, indien sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

2.3. Vast staat dat het in dit geval gaat om een herhaald verzoek en dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

2.4. Grief 1 is gericht tegen de overweging dat het verzoek van de vreemdeling van 24 april 2002 aangemerkt dient te worden als een verzoek om een uitzondering op het gevoerde beleid te maken en haar alsnog toe te staan de uitspraak op het tweede verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten, alsmede van deze beslissing mededeling te doen aan het COA. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter het al dan niet inwilligen van dat verzoek in schriftelijke vorm aangemerkt als een voor beroep vatbaar besluit, zodat evenmin beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit, aldus de grief.

2.4.1. Die grief slaagt. De Rva 1997, een samenstel van algemeen verbindende voorschriften, verwijst in voormeld artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, voor de gevallen waarin sprake is van een rechtmatig verwijderbare vreemdeling in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en

onder b, naar de Vc 2000 en maakt aldus het hierboven weergegeven onderdeel van de Vc 2000 tot algemeen verbindend voorschrift. Gelet hierop, moet het verzoek van de vreemdeling worden aangemerkt als strekkend tot wijziging van dat voorschrift. Nu de vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift ingevolge artikel 8:2 van de Awb niet voor beroep vatbaar is, is de weigering om dit voorschrift te wijzigen dat evenmin. Gelet hierop, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat het al dan niet inwilligen van dat verzoek in schriftelijke vorm een besluit is, waartegen beroep open staat.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingediende beroep van de vreemdeling alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 22 mei 2002 in zaak nr. AWB 02/38261;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.W. Mackenzie, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Mackenzie

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2002

43-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,