Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE9037

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
21-10-2002
Zaaknummer
200204172/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6569
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Penitentiaire beginselenwet 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/411 met annotatie van PJAMB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200204172/1.

Datum uitspraak: 27 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 24 juli 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2002 is [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 juli 2002, verzonden op 25 juli 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard en de bewaring met ingang van 23 juli 2002 opgeheven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 augustus 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door A.E.J.I. Kuhlmann, ambtenaar bij het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen namens de minister ter zitting naar voren is gebracht, verdraagt zich niet met het in het hoger beroepschrift ingenomen standpunt. Nu het hoger beroep niet is ingetrokken, laat de Afdeling dit betoog buiten beschouwing.

2.2. Ingevolge artikel 60 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), voorzover thans van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven omtrent de toepassing van hoofdstuk 5 van die wet.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid van de Wet. Bij de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt de vreemdeling niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.

Ingevolge artikel 5.4, tweede lid, van het Vb 2000 wordt, indien de tenuitvoerlegging van de bewaring een aanvang neemt op een politiebureau of in een cel van de Koninklijke marechaussee, zodra dit redelijkerwijs mogelijk is de tenuitvoerlegging voortgezet in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Penitentiaire Beginselenwet (hierna: Pbw) vindt de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is opgelegd in een penitentiaire inrichting dan wel door diens deelname aan een penitentiair programma.

Ingevolge artikel 15a van de Pwb kan, in afwijking van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, de selectiefunctionaris bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting. De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen zijn vastgesteld.

2.3. Op 11 juli 2002 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld, waarvan de tenuitvoerlegging is aangevangen in een politiecel. Op die dag is de vreemdeling voorts aangemeld bij het Buro Selectiefunctionarissen te Zwolle. Ten tijde van de behandeling ter zitting van het beroep op 22 juli 2002 verbleef de vreemdeling nog in een politiecel. Bij die gelegenheid heeft de minister meegedeeld dat de vreemdeling wegens plaatsgebrek nog niet in een huis van bewaring kon worden geplaatst.

2.4. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de beantwoording van de vraag, of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de bewaring in een huis van bewaring redelijkerwijs mogelijk is, een belangenafweging moet worden gemaakt, waarbij de mogelijkheid van uitzetting op korte termijn een belangrijke factor is. Voorts heeft zij ten onrechte overwogen dat de vreemdeling uiterlijk op 21 juli 2002 overgeplaatst had moeten worden en dat, nu zij de door haar vereiste belangenafweging niet heeft aangetroffen, de bewaring vanaf die datum onrechtmatig is geworden, aldus de minister.

2.5. Artikel 5.4, eerste lid, van het Vb 2000 is een krachtens de Vw 2000 gegeven bepaling, die het mogelijk maakt dat in afwijking van het bepaalde in artikel 2 van de Pbw de vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd in een politiecel. De beslissing daaromtrent berust bij de minister. Het bij wet van 8 maart 2002 (Stb. 2002, 125) in de Pbw ingevoegde artikel 15a, dat het mogelijk maakt dat de selectiefunctionaris bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsontnemende maatregel in een politiecel plaatsvindt gedurende maximaal 10 dagen is daarom niet van toepassing op de vreemdelingenbewaring.

2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2002 in zaak nr. 200202752/1, gepubliceerd in JV 2002/274), is artikel 5.4, tweede lid, van het Vb 2000 vrijwel gelijkluidend aan artikel 84, tweede lid, van het Vb (oud). Zoals bij de Nota van Toelichting bij die bepaling is vermeld, verwijst het criterium “redelijkerwijs mogelijk” mede naar de beschikbare capaciteit in de desbetreffende inrichtingen, alsmede op de prioriteitstelling die bij de verdeling daarvan dient te worden gehanteerd. Er moet plaats zijn voor tenuitvoerlegging elders. Zo niet, dan zal de tenuitvoerlegging op het politiebureau kunnen voortduren, teneinde een op handen zijnde uitzetting te kunnen finaliseren (Nota van Toelichting bij het Besluit van 30 december 1993, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit, Stb 1994, 8, p. 21).

Gelet op de tekst en de geschiedenis van haar totstandkoming strekt artikel 5.4, tweede lid, van het Vb 2000 er toe dat tenuitvoerlegging van bewaring op een politiebureau toelaatbaar is, indien en zolang elders geen plaats beschikbaar is. Zodra elders een plaats beschikbaar is, moet de tenuitvoerlegging aldaar worden voortgezet. Deze norm sluit niet uit dat, al naar gelang de beschikbaarheid van een plaats elders, de tenuitvoerlegging van een maatregel op een politiebureau korter moet duren, dan wel langer kan duren dan tien dagen. Wel dient de tenuitvoerlegging van de maatregel in een politiecel gedurende meer dan 10 dagen, ook blijkens de richtlijn die is neergelegd in paragraaf A5/5.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoveel mogelijk voorkomen te worden. Het is aan de minister om bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen die daartoe in een voorliggend geval niettemin nopen, aan te voeren.

De minister heeft in dit geval als enige reden voor het verblijf van meer dan 10 dagen in een politiecel aangevoerd dat geen mededeling was ontvangen van het Bureau Selectiefunctionarissen dat een plaats in het Huis van Bewaring beschikbaar was ter voortzetting van de tenuitvoerlegging aldaar. Hij heeft evenwel geen beroep gedaan op bijzondere omstandigheden dan wel zwaarwegende belangen in vorenbedoelde zin. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht, zij het niet op juiste gronden, overwogen dat de bewaring niet langer in een politiecel tenuitvoer mocht worden gelegd.

2.7. Ten onrechte heeft de rechtbank echter overwogen dat de bewaring als zodanig door de overschrijding van de termijn van 10 dagen onrechtmatig is geworden en daarom de opheffing van de bewaring bevolen. Zij had, nu zij van oordeel was dat de bewaring op goede gronden is opgelegd, op de voet van artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging moeten bevelen. In zoverre treft grief 1 doel.

2.8. Het hoger beroep is in zoverre gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, doch slechts voorzover daarbij de opheffing van de bewaring is bevolen. De Afdeling kan niet alsnog doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen. Nu de rechtbank de bewaring heeft opgeheven, is een bevel tot wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging zinledig geworden.

2.9. Ingevolge artikel 8:77, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt, indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, daarin vermeld, welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.

2.9.1. Grief 2 klaagt terecht dat de rechtbank niet aan dat voorschrift heeft voldaan. Dit leidt evenwel niet tot het met die grief beoogde doel. Uit het hiervoor onder 2.7 overwogene vloeit voort dat de tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met artikel 5.4, tweede lid, van het Vb 2000. De aangevallen uitspraak dient ook op dit punt met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen van 24 juli 2002 in zaak nr. Awb 02/53916, doch slechts voorzover daarbij de opheffing van de bewaring is bevolen;

III. bevestigt de uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter is verhinderd w.g. Beurmanjer-de Lange

de uitspraak te ondertekenen ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2002

241-382/360.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,