Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE9031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
21-10-2002
Zaaknummer
200204308/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/387 met annotatie van TS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200204308/1.

Datum uitspraak: 13 september 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 juli 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juli 2002, verzonden op 31 juli 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brieven van 23 en 27 augustus 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Het is derhalve aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

Ingevolge dat artikel, tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2. In de grieven 2 tot en met 4, in onderlinge samenhang bezien, wordt betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in het bestreden besluit gemotiveerd is uiteengezet dat en waarom het niet overleggen van reis- of identiteitspapieren, dan wel andere bescheiden, die voor de beoordeling van het asielrelaas noodzakelijk zijn, aan de vreemdeling kan worden toegerekend en voorts dat en waarom geen geloof wordt gehecht aan de door de vreemdeling gestelde Afghaanse nationaliteit.

2.3. Deze grieven slagen. Anders dan waar de voorzieningenrechter kennelijk vanuit is gegaan, stond deze niet voor de vraag of er voldoende gronden zijn om te oordelen dat de vreemdeling niet afkomstig is uit Afghanistan, maar voor de vraag of geoordeeld moet worden dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling de aan haar aanvraag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt, als bedoeld in voormeld artikel 31, eerste lid, Vw 2000.

2.4. Niet in geschil is dat de vreemdeling geen reis- of identiteitspapieren, dan wel andere bescheiden heeft overgelegd, die beoordeling van haar aanvraag mogelijk maken. De staatssecretaris heeft in de door haar gestelde feiten en omstandigheden geen gronden hoeven vinden haar de gevolgen daarvan niet toe te rekenen. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat de vreemdeling antwoorden schuldig is gebleven op eenvoudige vragen over haar reisroute.

Verder heeft de staatssecretaris gemotiveerd aangegeven dat de kennis van de vreemdeling over geografische algemeenheden omtrent Afghanistan, in het bijzonder omtrent haar directe gestelde woonomgeving Jalallabad volstrekt ontoereikend is, evenals haar kennis van bevolking, gebruiken en gewoonten en het regime in dat land. De staatssecretaris heeft voorts vastgesteld dat zij slechts een uiterst summiere kennis heeft van de in Afghanistan gangbare talen.

2.4.1. Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich, dit alles in aanmerking nemend, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van Afghaanse nationaliteit is, aan haar asielrelaas geen geloof kan worden gehecht en dat een taalanalyse geen meerwaarde kan hebben, nu haar gebrek aan kennis over Afghanistan dermate evident is, dat de uitslag van een dergelijk onderzoek niet van doorslaggevende betekenis kan zijn. Dat de vreemdeling enkele algemene vragen deels wel goed heeft weten te antwoorden, kan hieraan niet afdoen. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag niet in de AC-procedure mocht afwijzen.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen in grief 1 is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit van de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 te onthouden de rechterlijke toets aan de hand van de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden niet kan doorstaan. De Afdeling zal het inleidend beroep derhalve alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam van 26 juli 2002 in zaak nr. AWB 02/54696;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Zegveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2002

43-344.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,