Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE8517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
09-10-2002
Zaaknummer
200202624/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200202624/1.

Datum uitspraak: 31 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 6 mei 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 mei 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 mei 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen.

2.2. Grief 1 klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de 48-uurs-termijn is overschreden, omdat de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd uiteengezet heeft dat en waarom de door de vreemdeling gebruikte uren, voorzover die uitkwamen boven het formeel aan de rechtshulp toebedeelde aantal proces-uren, redelijkerwijs niet konden worden benut voor het onderzoek naar de aanvraag. De rechtbank heeft miskend dat de tijd die verstreken is tussen 11:40 uur en 13:15 uur op 20 april 2002 niet kan worden aangemerkt als proces-uren, omdat de rechtshulpverlener gedurende deze tijd heeft gewacht op een tolk, alvorens hij de vreemdeling kon bijstaan bij de voorbereiding van het nader gehoor, aldus de staatssecretaris.

2.2.1. Niet als proces-uren zijn aan te merken uren, die ten gevolge van door de staatssecretaris aan te voeren en aannemelijk te maken feiten en/of omstandigheden, redelijkerwijs niet konden worden benut voor het onderzoek naar de aanvraag.

2.2.2. Het onderzoek naar de aanvraag van de vreemdeling is op 19 april 2002 om 9:05 uur aangevangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (laatstelijk bij uitspraak van 29 mei 2002 in zaak nr. 200202337/1, ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht), kan de tijd die verstrijkt met het wachten op een tolk ten behoeve van het verkeer tussen de vreemdeling en zijn rechtshulpverlener in het algemeen niet worden aangemerkt als beschikbaar voor het onderzoek in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder f van het Vb 2000. Van bijzondere omstandigheden om daar in dit geval anders over te oordelen, is niet gebleken. Met name is niet gebleken dat het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk is veroorzaakt door nalatigheid aan de zijde van de staatssecretaris. Deze heeft zich blijkens het dossier op de hoogte gesteld van de oorzaken van het oponthoud en heeft binnen een kort tijdsbestek een tolk aan de rechtshulpverlener van de vreemdeling ter beschikking gesteld.

2.3. De rechtbank heeft het vorenstaande miskend. Geoordeeld moet worden dat de afwijzende beschikking op 22 april 2002 om 16:15 uur binnen 48 proces-uren is uitgereikt. De grief treft derhalve doel.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De andere tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde grief behoeft derhalve geen bespreking. De Afdeling zal de zaak in verband hiermee met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State, terugwijzen naar de rechtbank, aangezien het geschil nog niet ten gronde door haar is beoordeeld.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 6 mei 2002 in zaak nr. Awb 02/30859;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Zegveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2002

43-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,